Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een verkeersboete opgelegd omdat hij als snorfietser in een voetgangersgebied reed in Breda op 8 augustus 2022. Betrokkene stelde dat hij slechts kort door het voetgangersgebied reed om zijn scooter te parkeren en dat hij hiervoor nooit eerder was aangesproken. Tevens werd aangevoerd dat de boete omgezet had moeten worden in een waarschuwing en dat onduidelijk was of de verbalisant zich aan het beleidskader had gehouden.
De officier van justitie stelde dat de gedraging vaststond, dat er een waarschuwingsperiode was geweest die al was verlopen en dat betrokkene had moeten afstappen. De rechtbank oordeelde dat het voetgangersgebied duidelijk was aan de hand van wegindeling en bebording en dat de boete terecht was opgelegd.
Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn van twee jaar voor de behandeling van de zaak was overschreden, omdat de boete op 27 augustus 2022 was opgelegd en de procedure op 16 oktober 2024 werd behandeld. Daarom matigde de rechtbank de boete met 25%. Tevens werd een proceskostenvergoeding toegekend voor de fase waarin de redelijke termijn was overschreden.
Uitkomst: De boete wordt gematigd met 25% wegens overschrijding van de redelijke termijn en er wordt een proceskostenvergoeding toegekend.