ECLI:NL:RBZWB:2024:9132

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
24 december 2024
Publicatiedatum
3 januari 2025
Zaaknummer
02-041870-24
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
  • Toekoen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 SrArt. 77a SrArt. 77g SrArt. 77i SrArt. 77m Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling minderjarige voor afpersing onder bedreiging met mes en hamer

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 24 december 2024 uitspraak gedaan in de strafzaak tegen een minderjarige verdachte die samen met anderen een slachtoffer heeft afgeperst onder bedreiging met een mes en een hamer.

Het slachtoffer werd via Snapchat naar een afgelegen plek in het bos gelokt, waar de verdachte en medeverdachten hem bedreigden en dwongen persoonlijke eigendommen af te geven. De verdachte heeft een bekennende verklaring afgelegd en de rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank heeft rekening gehouden met de ernst van het feit, het georganiseerde karakter van de groep, het gebruik van geweldsmiddelen en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn kindeigen problematiek (ADHD en ASS). De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde een deels voorwaardelijke werkstraf met begeleiding door de jeugdreclassering.

De rechtbank legde een jeugddetentie van 33 dagen op, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een onvoorwaardelijke werkstraf van 60 uren. Bij niet-naleving van de werkstraf geldt vervangende jeugddetentie van 30 dagen. De bijzondere voorwaarden betreffen onder meer meldplicht bij de jeugdreclassering en medewerking aan hulpverlening.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 30 dagen voorwaardelijke jeugddetentie en 60 uren onvoorwaardelijke werkstraf wegens medeplegen van afpersing onder bedreiging.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team jeugd
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-041870-24
vonnis van de meervoudige kamer van 24 december 2024
in de strafzaak tegen de minderjarige
[verdachte]
geboren op [geboortedag] 2007 te [geboorteplaats]
wonende te ( [adres]
raadsman mr. W.J.M. van der Putten, advocaat te Goirle

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld met gesloten deuren op de zitting van 11 december 2024, waarbij de officier van justitie, mr. S.A.J. Louwers, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met anderen verschillende spullen van [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) heeft afgeperst door te bedreigen met een mes en een hamer.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde afpersing in vereniging heeft gepleegd, onder andere gezien zijn bekennende verklaring hierover.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat het feit wettig en overtuigend kan worden bewezen, gezien de bekennende verklaring van verdachte.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Aangezien verdachte ten aanzien van het feit een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en acht de rechtbank dat feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:
- de aangifte van [slachtoffer] van 4 februari 2024;
- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 11 december 2024.
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
op 4 februari 2024 te Tilburg tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een jas met daarin een bankpas en een ID-kaart en handschoenen en een ketting , die aan die [slachtoffer] toebehoorden door
- via snapchat een afspraak met die [slachtoffer] te maken bij het [winkelcentrum] en/of het bos en
- in het bos gemaskerd op de [slachtoffer] af te lopen en
- op korte afstand om die [slachtoffer] heen te gaan staan en
- die [slachtoffer] een mes en een hamer te tonen en
- tegen die [slachtoffer] hebben te zeggen "Wat heb je in je zakken zitten?" en "Doe je jas ook maar uit, want het is wel een mooie jas en die wil ik ook wel hebben. Doe je ketting ook maar af en je handschoenen uit" en “Wij gaan deze kant op en ga jij die kant maar op” .
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een werkstraf van 120 uren, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met daarbij de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt de rechtbank bij het opleggen van een straf het onvoorwaardelijke strafdeel te matigen en te volstaan met een proeftijd van één jaar.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van het feit
Verdachte heeft samen met anderen in een groepsapp, met de naam ‘ [chatgroep] ’, plannen gemaakt om op pedojacht te gaan. Daarbij is doelbewust een slachtoffer ( [slachtoffer] ) uitgekozen met het uiteindelijke doel om die persoon te beroven. [slachtoffer] is naar het [locatie] gelokt voor een afspraak met een van de, minderjarige, medeverdachten. Daar is hij door haar naar een afgelegen plek in het bos meegenomen, waar verdachte en twee medeverdachten hem hebben achtervolgd, aangesproken en ingesloten. Verdachte heeft zich daar met anderen schuldig gemaakt aan het medeplegen van een afpersing van [slachtoffer] , onder bedreiging van een hamer en een mes.
Verdachte heeft met zijn handelen inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer] , zijn lichamelijke integriteit en zijn gevoel van veiligheid op de openbare weg aangetast. Ook is door het handelen van verdachte en zijn medeverdachten het vertrouwen van [slachtoffer] in de medemens beschadigd. Uit de aangifte van [slachtoffer] volgt dat hij bang was dat daders hem iets aan zouden doen.
De rechtbank rekent het verdachte en medeverdachten ook aan dat zij onder het mom van ‘rechtvaardigheid’ en ‘pedojagen’ voor eigen rechter hebben gespeeld en hebben geprobeerd om snel geld te verdienen. Het is een zorgelijke maatschappelijke ontwikkeling dat dit soort strafbare feiten, waarbij de daders ervan uitgaan in hun recht te staan, vaker worden gepleegd. Voor zover verdachte heeft meegedaan omdat hij een rechtvaardiging zag in het jagen en afstraffen van pedofielen, dient duidelijk te zijn dat hierin geen enkele rechtvaardiging voor zijn handelen ligt, ongeacht welk moreel oordeel verdachte ook heeft over de (seksuele) voorkeur en het gedrag van het slachtoffer [slachtoffer] . In een rechtsstaat is het aan de politie, onder leiding van het openbaar ministerie, om strafbare feiten op te sporen en ligt de beoordeling hiervan in handen van de onafhankelijke rechter.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van verdachte. Daaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.
Uit het rapport van de Raad van 3 december 2024 volgt onder meer dat de kans op herhaling in de algemene risicotaxatie wordt ingeschat als laag maar dat de kindeigen problematiek van verdachte (ADHD en ASS) toch een risico vormen voor de kans op herhaling van strafbaar gedrag. De belangrijkste criminogene factoren zijn verdachtes kindeigen problematiek, zijn denkpatronen, agressie en zijn vaardigheden. De Raad vindt hierom begeleiding van de jeugdreclassering passend, zodat toezicht kan worden gehouden op het volgen van onderwijs/dagbesteding en op eventuele inzet van verdere hulpverlening gericht op de kindeigen problematiek. De Raad adviseert om aan verdachte een deels voorwaardelijke werkstraf op te leggen, om aan verdachte duidelijk te maken dat zijn gedrag consequenties heeft, en zodat hij hieruit lering kan trekken en de volgende keer andere keuzes zal maken. De Raad adviseert hierbij als bijzondere voorwaarden aan verdachte op te leggen dat verdachte:
* zich door de gecertificeerde instelling, te weten Stichting Jeugdbescherming Brabant, locatie Tilburg, te bepalen periode en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de jeugdreclassering, voor zolang de jeugdreclassering dit nodig acht;
* meewerkt aan onderwijs en/of dagbesteding;
* meewerkt aan hulpverlening/behandeling gericht op ADHD/ASS problematiek indien dit noodzakelijk wordt geacht door de jeugdreclassering; waarbij aan de gecertificeerde instelling te weten Stichting Jeugdbescherming Brabant, te Tilburg, de opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden, tot einde proeftijd.
De vertegenwoordiger van de Raad heeft ter zitting aanvullend aangevoerd dat verdachte zich de afgelopen tijd positief heeft ontwikkeld. Echter gelet op de kindeigen problematiek van verdachte is begeleiding van de jeugdreclassering voor een langere periode nodig, zodat erop toegezien kan worden hoe de hulpverlening loopt en dat de positieve ontwikkeling vastgehouden wordt. De Raad adviseert hierom een proeftijd van twee jaar.
De vertegenwoordiger van de jeugdreclassering heeft ter zitting aangevoerd dat verdachte inderdaad een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt, maar dat er altijd aandacht zal moeten blijven voor de kindeigen problematiek van verdachte, gelet op de risico’s die deze met zich mee brengt. Hierom is een langere proeftijd wenselijk. Gezien de verhuizing van verdachte naar de provincie Zeeland heeft de Raad ter zitting geadviseerd om de reclasseringsbegeleiding op te dragen aan Stichting Jeugdbescherming West, locatie Middelburg.
Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het is gepleegd en de persoon van verdachte. Daarnaast houdt zij rekening met straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd. In strafverzwarende zin neemt de rechtbank hierbij mee dat de verdachten bij de straatroof een mes en een hamer hebben gebruikt, dat zij [slachtoffer] voor de straatroof hebben geleid naar een afgelegen plek in het bos en dat sprake was van een georganiseerd karakter van de groep waarvan verdachte deel uitmaakte. In het voordeel van verdachte neemt de rechtbank zijn strafblad mee, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld.
Alles overwegend is de rechtbank van oordeel dat zij gelet op de ernst van het feit, niet anders kan dan een (voorwaardelijke) jeugddetentie opleggen. De rechtbank is, net als bij de drie medeverdachten ( [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] ), van oordeel dat een jeugddetentie van 33 dagen, waarvan bij verdachte 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en met aftrek van voorarrest, en een onvoorwaardelijke werkstraf van 60 uren passend en geboden is. Een voorwaardelijke jeugddetentie dient ertoe verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen en om reclasseringsbegeleiding en behandeling mogelijk te maken. De rechtbank ziet geen aanleiding om de proeftijd te beperken tot een periode van één jaar gelet op de begeleiding die verdachte kan gebruiken bij zijn kindeigen problematiek. De rechtbank zal de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad opleggen.
Om verdachte de gevolgen van zijn gedrag te laten voelen, legt de rechtbank naast een (voorwaardelijke) jeugddetentie ook een onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf op, te weten een onvoorwaardelijke werkstraf van 60 uren, te vervangen door 30 dagen jeugddetentie indien verdachte deze straf niet of niet goed uitvoert.

7.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 47, 77a, 77g, 77i, 77m 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 317 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8.De beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een jeugddetentie van 33 dagen, waarvan 30 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;
- bepaalt dat deze jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd na te melden voorwaarde niet heeft nageleefd;
- stelt als
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als
bijzondere voorwaardendat:
* verdachte zich door de gecertificeerde instelling, te weten Stichting Jeugdbescherming West, locatie Middelburg, te bepalen periode en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de jeugdreclassering, voor zolang de jeugdreclassering dit nodig acht;
* meewerkt aan het hebben en behouden van onderwijs en/of dagbesteding;
* meewerkt aan hulpverlening/behandeling gericht op ADHD/ASS problematiek indien dit noodzakelijk wordt geacht door de jeugdreclassering;
- bepaalt dat
van rechtswege gelden de bijzondere voorwaarden:
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;
* dat verdachte medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, de medewerking van huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
- draagt de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming West, te Middelburg, op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde jeugddetentie;
- veroordeelt verdachte tot
een werkstraf van 60 uren;
- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht,
vervangende jeugddetentie hechteniszal worden toegepast van
30 dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. Toekoen, voorzitter, mr. De Jong en mr. Van der Pols, allen kinderrechters, in tegenwoordigheid van Van Dijke, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 24 december 2024.
Mr. De Jong, mr. Van der Pols en Van Dijke zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.