ECLI:NL:RBZWB:2024:915

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
8 februari 2024
Publicatiedatum
15 februari 2024
Zaaknummer
RK 23-025819 en 23-025820
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 530 SvArt. 533 SvArt. 534 SvArt. 9a SrArt. 535 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke toekenning vergoeding voorlopige hechtenis en proceskosten verzoeker

Verzoeker heeft een verzoek ingediend tot vergoeding van kosten en schade ten laste van de Staat, voortvloeiend uit zijn voorlopige hechtenis en de behandeling van zijn strafzaak. De verzoeken betroffen onder meer reiskosten, kosten rechtsbijstand, huurautokosten en een forfaitaire vergoeding voor de behandeling van de verzoekschriften.

De rechtbank heeft de zaak op 25 januari 2024 behandeld, waarbij de officier van justitie en de raadsman van verzoeker zijn gehoord. Verzoeker was opgeroepen maar niet verschenen. De officier van justitie stelde voor het verzoek gedeeltelijk toe te wijzen, met uitzondering van de huurautokosten. De raadsman betoogde dat ook deze kosten vergoed moesten worden.

De rechtbank oordeelde dat de huurautokosten niet voor vergoeding in aanmerking komen omdat deze voortvloeien uit de inbeslagname van het voertuig en niet uit de voorlopige hechtenis. De overige kosten, waaronder reiskosten (€1.063,84), kosten rechtsbijstand (€1.877,73), een forfaitaire vergoeding (€680,00) en een vergoeding voor het verblijf tijdens voorlopige hechtenis (€390,00), werden toegewezen. De totale toegekende vergoeding bedraagt €4.011,57.

De beslissing werd op 8 februari 2024 uitgesproken en vermeldt tevens de mogelijkheid tot hoger beroep door zowel het Openbaar Ministerie als verzoeker.

Uitkomst: De rechtbank wijst gedeeltelijk het verzoek tot vergoeding toe, met uitzondering van de huurautokosten.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats Middelburg
parketnummer : 02-131346-23
raadkamernummer : 23-025819 en 23-025820
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op de verzoeken op grond van artikel 530 en Pro 533 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedag] 1998 te [geboorteplaats] ,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. J.J.J. van Rijsbergen advocaat te Breda, (Postbus 4650, 4803 ER Breda),
hierna te noemen: de verzoeker.

1.De procedure

De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
 het verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding
ex artikel 533 Sv Proten laste van de Staat voor een bedrag van:
  • € 390,00, voor schade wegens ondergane inverzekeringstelling;
  • het verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding
  • het sepot d.d. 25 augustus 2023;
  • de stukken waaruit blijkt dat verzoeker op 25 mei 2023 in verzekering is gesteld en op 27 mei 2023 in vrijheid is gesteld;
  • de schriftelijke reactie van de officier van justitie.
Op 25 januari 2024 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie, mr. R.S. Jacobs en de gemachtigd raadsman mr. J.J.J. van Rijsbergen advocaat te Breda gehoord.
Verzoeker is behoorlijk opgeroepen doch niet bij de behandeling in raadkamer verschenen.
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het verzoek gedeeltelijk kan worden toegewezen. Alle kostenposten komen voor vergoeding in aanmerking met uitzondering van de gevraagde kosten voor een huurauto. De officier van justitie persisteert bij hetgeen in de schriftelijke conclusie van het openbaar ministerie daaromtrent is aangedragen.
De raadsman stelt zich op het standpunt dat het verzoek in zijn geheel moet worden toegewezen. De kosten voor de huurauto heeft verzoeker gemaakt, de nota is door hem overgelegd. Verzoeker heeft een bedrag van € 18.000 euro betaald. Dat bedrag is inclusief de borgsom voor de huurauto welke verzoeker niet heeft teruggekregen. Het verhuurbedrijf heeft kosten moeten maken om de auto op te halen vanuit Spanje in Nederland en daarom is verzoeker zijn borgsom kwijt geraakt. Verzoeker heeft 1 dag van de huurauto gebruik kunnen maken voordat hij in verzekering werd gesteld. Eén dag huur kost € 1000,00, zodat een bedrag van € 17.000,00 de werkelijke schade is die verzoeker heeft geleden.

2.De beoordeling

De rechtbank overweegt als volgt.
De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel of met zodanige oplegging, doch op grond van een feit waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen, nu de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank is vervolgd, zou worden vervolgd of laatstelijk werd vervolgd.
Ingevolge artikel 533 Sv Pro kan aan een verdachte die niet wordt veroordeeld of wiens zaak wordt geseponeerd een vergoeding worden toegekend van de schade die hij ten gevolge van ondergane verzekering, klinische observatie of voorlopige hechtenis heeft geleden.
Ingevolge artikel 530 Sv Pro wordt aan de gewezen verdachte een vergoeding toegekend in
de ten behoeve van het onderzoek en de behandeling van de zaak gemaakte reis- en verblijfkosten, en kan een vergoeding worden toegekend voor de schade welke hij ten gevolge van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling der zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden, alsmede, behoudens in het zich hier niet voordoende geval dat - kort gezegd - de raadsman was toegevoegd, in de kosten van een raadsman.
Ingevolge artikel 534, eerste en vierde lid, Sv vindt toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechtbank, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.
Verzoekster heeft
3 dagen in verzekeringdoorgebracht. De LOVS-uitgangspunten gaan uit van een forfaitaire vergoeding van € 130,00 per dag voor het verblijf op het politiebureau of in het Huis van Bewaring met beperkingen of in een extra beveiligde inrichting (EBI) en € 100,00 in de overige gevallen.
De gevraagde vergoeding is conform de LOVS-uitgangspunten. De rechtbank ziet geen reden daarvan af te wijken. De rechtbank zal naar billijkheid een bedrag toekennen van
€ 390,00.
Met betrekking tot het verzochte bedrag aan kosten van de huurauto is de rechtbank van oordeel dat deze niet voor vergoeding in aanmerking komen. Die kosten welke verzoeker heeft moeten maken volgen uit de inbeslagname van het voertuig en het ophalen door de verhuurder van het voertuig en niet uit de voorlopige hechtenis, zodat de gevraagde kostenpost niet onder de reikwijdte van artikel 533 of Pro artikel 530 van Pro het Wetboek van Strafvordering valt en derhalve niet voor vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank zal dit onderdeel van het verzoek om schadevergoeding afwijzen.
Het verzochte bedrag aan kosten van rechtsbijstand ter grootte van
€ 1.877,73is in voldoende mate onderbouwd en komt de rechtbank billijk voor. De rechtbank zal dit bedrag toewijzen.
Het verzochte bedrag aan reiskosten ter grootte van
€ 1.063,84is in voldoende mate onderbouwd en komt de rechtbank billijk voor. De rechtbank zal dit bedrag toewijzen.
Voor de kosten verbonden aan de indiening en de behandeling in raadskamer van de verzoekschriften wordt het forfaitaire bedrag van
€ 680,00toegekend.

3.De beslissing

De rechtbank:
wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 533 Sv Pro toe tot een bedrag van
€ 390,00;
wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv Pro toe tot een bedrag van
€ 3.621,57, bestaande uit: € 1.877,73 voor de kosten van rechtsbijstand;
€ 1.063,84 reiskosten;
€ 680,00 forfaitaire vergoeding;
wijst het verzoek voor het overige af;
bepaalt dat een bedrag van
€ 4.011,57zal worden overgemaakt op [rekeningnummer] ten name van Stichting Beheer Derdengelden TDNL Strafrechtadvocaten, onder vermelding van “OM/ [verzoeker] ”
Deze beslissing is op 8 februari 2024 gegeven door mr. J.C. Gillesse rechter, in tegenwoordigheid van I.L. Bruijnooge, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 februari 2024.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen de beslissing ex artikel 533 en Pro ex 530 Sv kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van deze beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (artikel 535 lid 1 Sv Pro).