Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene werd beboet voor het parkeren op een gehandicaptenparkeerplaats zonder dat er een duidelijk zichtbare gehandicaptenparkeerkaart aanwezig was. De overtreding vond plaats op 8 januari 2023 in Breda. Betrokkene erkende de gedraging, maar voerde aan dat zij door een herseninfarct ernstige beperkingen heeft en haar echtgenoot haar helpt met in- en uitstappen. Ten tijde van de overtreding was de aanvraag voor de gehandicaptenparkeerkaart nog niet afgerond vanwege administratieve vertragingen.
De aanvraag was in december 2022 ingediend, maar niet in behandeling genomen omdat betrokkene de aanvraag niet zelf had ondertekend. Haar echtgenoot had contact met de gemeente en de keuringsinstantie, wat leidde tot een vertraging in het proces. Uiteindelijk werd de kaart twee maanden na de overtreding verleend.
De officier van justitie verklaarde het beroep ongegrond, maar de kantonrechter oordeelde dat de boete terecht was opgelegd omdat de overtreding had plaatsgevonden. Wel vond de kantonrechter reden om de boete te matigen naar € 30,- vanwege de omstandigheden en het feit dat betrokkene recht had op een gehandicaptenparkeerkaart. De officier van justitie werd opgedragen het teveel betaalde bedrag terug te betalen. Het beroep werd daarom gedeeltelijk gegrond verklaard.
Uitkomst: De boete voor parkeren zonder gehandicaptenparkeerkaart is gematigd tot € 30,- en het beroep gedeeltelijk gegrond verklaard.