Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Verloop van de procedure
Standpunten
Overwegingen
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een administratieve sanctie opgelegd wegens het rijden met onvoldoende zicht door de voorruit en/of voorste zijruiten op een specifieke locatie en tijdstip. Tegen deze boete werd beroep ingesteld bij de officier van justitie, dat ongegrond werd verklaard. Vervolgens werd beroep ingesteld bij de kantonrechter.
Tijdens de zitting verschenen betrokkene en zijn gemachtigde niet. De zittingsvertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie voerde aan dat uit de bijgevoegde foto’s in het dossier duidelijk blijkt dat het zicht belemmerd was. Betrokkene had aangevoerd dat het zicht niet belemmerd was, onder meer omdat een matras aan de rechterzijde het zicht niet zou hinderen en de zijspiegel en rechter zijruit nog zichtbaar waren.
De kantonrechter oordeelde echter dat uit de stukken, met name de foto’s, voldoende blijkt dat het zicht aan de rechterzijde grotendeels belemmerd was. Daarom was de boete terecht opgelegd. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de verkeersboete wegens onvoldoende zicht tijdens het rijden wordt ongegrond verklaard.