Verzoekster maakte bezwaar tegen het besluit van de burgemeester om haar woning te sluiten vanwege de vondst van ruim 300 gram hasj in een berging op het perceel. De burgemeester baseerde het besluit op artikel 13b van de Opiumwet, waarbij sluiting voor drie maanden werd opgelegd. Verzoekster betwistte de hoeveelheid drugs, het tijdsverloop sinds de vondst, het ontbreken van overlast en stelde dat zij niet wist van de drugs en afhankelijk is van mantelzorg.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de maatregel niet evenredig is, mede omdat de aangetroffen hoeveelheid softdrugs net boven de beleidsgrens van 300 gram ligt, de vondst acht maanden geleden was en er geen sprake was van overlast. Ook is verzoekster ernstig psychiatrisch beperkt en afhankelijk van haar neef als mantelzorger, waardoor zij niet verwijtbaar kan worden gehouden.
De voorlopige voorziening leidt tot schorsing van het sluitingsbesluit tot zes weken na de beslissing op bezwaar. Tevens wordt de burgemeester veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten. De uitspraak is bindend voor de voorlopige fase en er is geen hoger beroep mogelijk.