De zaak betreft een verzoek van de Stichting Jeugdbescherming West Zeeland tot verlenging van de ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen die wonen bij hun moeder. De kinderen zijn slachtoffer en getuige geweest van meerdere geweldsincidenten binnen het gezin, waaronder huiselijk geweld van de vader richting de moeder en een geweldsincident tussen de vader en een van de kinderen.
De kinderrechter heeft vastgesteld dat de bestaande patronen van geweld en onveiligheid nog niet zijn doorbroken en dat de ouders pas recent zijn gestart met hulpverlening. Hoewel deze hulpverlening positief verloopt, is de situatie nog te kwetsbaar om het vrijwillige kader te continueren. De moeder en vader werken mee aan therapie en hulpverlening, maar er is nog onvoldoende zicht op een stabiele en veilige situatie.
De kinderrechter concludeert dat de ondertoezichtstelling noodzakelijk blijft om de ontwikkeling van de kinderen te beschermen en verlengt deze tot 10 december 2025. De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard om de continuïteit van de bescherming te waarborgen. De GI krijgt de opdracht regie te voeren en de belangen van de kinderen te bewaken, waarbij van de ouders wordt verwacht dat zij blijven samenwerken met de hulpverlening.