Art. 530 SvArt. 533 SvArt. 534 lid 1 SvArt. 164 lid 9 Wegenverkeerswet 1994Art. 9a Sr
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek tot vergoeding kosten na vrijspraak wegens vormverzuim bij snelheidsmeting
Verzoeker heeft een verzoek ingediend tot vergoeding van kosten die hij heeft gemaakt in verband met een strafzaak waarin hij werd verdacht van een snelheidsovertreding. De zaak eindigde in een vrijspraak vanwege een onherstelbaar vormverzuim dat leidde tot bewijsuitsluiting, omdat de bediener van de meetapparatuur niet gecertificeerd was.
De rechtbank oordeelde dat hoewel verzoeker erkende de snelheidsovertreding te hebben begaan, de vrijspraak betekent dat hij niet veroordeeld is. Op grond van artikel 530 enPro 533 van het Wetboek van Strafvordering kan een vergoeding worden toegekend indien gronden van billijkheid aanwezig zijn.
De rechtbank concludeerde dat deze billijkheidsgronden ontbreken gezien de omstandigheden van het geval, waaronder het ontbreken van certificering van de apparatuurbedienaar. Daarom werden de verzoeken tot vergoeding van kosten, waaronder rechtsbijstand, reiskosten en een forfaitaire vergoeding voor het indienen van het verzoek, afgewezen.
De beslissing werd genomen door de enkelvoudige raadkamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant op 23 december 2024 en is openbaar uitgesproken. Tegen deze beslissing staat hoger beroep open bij het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.
Uitkomst: Verzoek tot vergoeding van kosten na vrijspraak wegens vormverzuim wordt afgewezen wegens ontbreken van billijkheidsgronden.
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats Middelburg
parketnummer : 96-125549-21
raadkamernummers : 23-031993 en 23-031992
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op de verzoeken op grond van artikel 530 vanPro het Wetboek van Strafvordering (Sv) en artikel 164, negende lid, van de Wegenverkeerswet 1994 van:
[verzoeker],
geboren op [datum] 1983 te [plaats],
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. L.C. Cox advocaat te Amersfoort, (Utrechtseweg 109, 3818 EC Amersfoort),
hierna te noemen: de verzoeker.
1.De procedure
De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
het op 21 december 2023 bij de griffie ingediende verzoek dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 164 lidPro 9 WVW94 en 530 Svten laste van de Staat voor een bedrag van: € 190,00, voor schade wegens de invordering van het rijbewijs (art. 164 lidPro 9 WVW94);
het op 21 december 2023 bij de griffie ingediende verzoek dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 SvProten laste van de Staat voor een bedrag van:
€ 4.304,58, voor vergoeding van kosten rechtsbijstand;
€ 150,78, voor vergoeding van reiskosten;
€ 340,00 als forfaitaire vergoeding voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift dan wel € 680,00 bij behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
de aantekening van het mondelinge vonnis van de kantonrechter van 22 september 2023 waarbij verzoeker is vrijgesproken;
de schriftelijke reactie van de officier van justitie;
de overige stukken in het raadkamerdossier.
Het verzoek is behandeld op 9 december 2024. Hierbij zijn de officier van justitie mr. C.P.G. Tax en mr. L.C. Cox als gemachtigd advocaat van verzoeker gehoord.
Verzoeker is behoorlijk opgeroepen maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen.
De advocaat van verzoeker heeft aangevoerd dat verzoeker is vrijgesproken en dat hij kosten heeft moeten maken welke niet aan hem te wijten zijn. De gevraagde kosten voor rechtsbijstand zijn gemaakt omdat er juridisch onderzoek gedaan moest worden, dat het geen omvangrijk dossier betreft doet daar niets aan af.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat zij blijft bij hetgeen in de conclusie van het openbaar ministerie is aangevoerd. De gevraagde kosten van rechtsbijstand zijn bovenmatig en dienen te worden gematigd.
2.De beoordeling
De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen omdat de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank is vervolgd.
Op grond van artikel 533 SvPro kan aan een gewezen verdachte een vergoeding van de schade die hij ten gevolge van ondergane verzekering, klinische observatie of voorlopige hechtenis heeft geleden worden toegekend. Voorwaarde hierbij is dat de zaak van de gewezen verdachte is geseponeerd of dat die verdachte niet is veroordeeld.
Op grond van artikel 530 SvPro wordt aan een gewezen verdachte een vergoeding toegekend van de reis- en verblijfskosten die voor het onderzoek en de behandeling van de zaak zijn gemaakt. Er kan ook een vergoeding worden toegekend voor de schade die hij ten gevolge van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling van de zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden. Tot slot kan ook een vergoeding voor de kosten van een raadsman worden toegekend, tenzij de raadsman was toegevoegd.
Artikel 534 lid 1 SvPro bepaalt dat de toekenning van een schadevergoeding steeds plaatsheeft, als en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter gronden van billijkheid aanwezig zijn. Bij deze beoordeling worden alle omstandigheden in aanmerking genomen.
Verzoeker is vrijgesproken omdat er sprake was van een onherstelbaar vormverzuim welke tot bewijsuitsluiting heeft geleid. Verzoeker heeft erkend dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan overschrijding van de toegestane snelheid. Nader onderzoek heeft uitgewezen dat de bedienaar van de apparatuur waarmee de overschrijding van de snelheid van verzoeker is gemeten niet gecertificeerd was. De rechtbank is van oordeel dat gezien deze omstandigheden de gronden van billijkheid voor toekenning van een vergoeding ontbreken.
De verzoeken tot toekennen van een vergoeding zullen worden afgewezen. De rechtbank wijst om die reden ook het verzoek tot het toekennen van een forfaitaire vergoeding voor het indienen van de verzoeken en de behandeling in raadkamer af.
3.De beslissing
De rechtbank wijst de verzoeken tot toekenning van een vergoeding af.
Deze beslissing is op 23 december 2024 genomen door mr. J.P.M. Hopmans rechter, in tegenwoordigheid van I.L. Bruijnooge, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 23 december 2024.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen de beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van de beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.