Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, die door de heffingsambtenaar op €349.000 werd vastgesteld. De rechtbank beoordeelde of deze waarde te hoog was vastgesteld aan de hand van de vergelijkingsmethode en de door belanghebbende aangevoerde gronden.
De rechtbank concludeerde dat het gebruik van de woning, ook al werd een deel als cateringbedrijf gebruikt, het woningkarakter niet aantastte. De referentiewoningen waren voldoende vergelijkbaar en de heffingsambtenaar had de grondstaffel correct toegepast, ondanks een erkende rekenfout die geen invloed had op de waardering. De aanvullende stukken van belanghebbende werden buiten beschouwing gelaten wegens te late indiening.
De rechtbank oordeelde dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld en verklaarde het beroep ongegrond. Wel kende de rechtbank belanghebbende een vergoeding toe van €100 wegens overschrijding van de redelijke termijn met ongeveer 11 maanden, waarvan een deel voor rekening van de heffingsambtenaar en een deel voor de Staat der Nederlanden komt. Daarnaast werden proceskosten en griffierechten verdeeld tussen de heffingsambtenaar en de Staat.