ECLI:NL:RBZWB:2024:9399

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
24 december 2024
Publicatiedatum
31 januari 2025
Zaaknummer
C/02/395197 FA RK 22-931
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van Noort
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 827 RvArt. 1:251a lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek eenhoofdig gezag en aanhouding zorgregeling in ondertoezichtstelling

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde een verzoek van de vrouw om het gezamenlijk gezag over twee minderjarigen te wijzigen in eenhoofdig gezag. De man verzocht om een zorgregeling waarbij de kinderen om het weekend en de helft van de vakanties bij hem verblijven. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde geen wijziging in het gezag vanwege het ontbreken van een onaanvaardbaar risico voor de minderjarigen en het belang van het behoud van contact met beide ouders.

De rechtbank overwoog dat gezamenlijk gezag het uitgangspunt is en dat er geen feiten of omstandigheden waren die een wijziging noodzakelijk maakten. De communicatieproblemen tussen ouders waren onvoldoende reden voor een eenhoofdig gezag. Het verzoek van de vrouw werd daarom afgewezen. Ten aanzien van de zorgregeling werd de zaak aangehouden omdat de gecertificeerde instelling bezig is met de opbouw van contactmomenten binnen een ondertoezichtstelling, waarbij het belang van de minderjarigen centraal staat.

De rechtbank stelde een pro forma datum van 14 oktober 2025 voor waarop een schriftelijk verslag van de stand van zaken en een advies van de Raad verwacht worden. Afhankelijk van deze rapportages kan een nieuwe mondelinge behandeling plaatsvinden. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken op 23 december 2024.

Uitkomst: Verzoek tot eenhoofdig gezag afgewezen en verzoek tot zorgregeling aangehouden in afwachting van ondertoezichtstelling.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
Zaaknummer: C/02/395197 FA RK 22-931
beschikking d.d. 23 december 2024
in de zaak van
[de vrouw](hierna te noemen: de vrouw),
wonende te [woonplaats 1] ,
verzoekster,
advocaat: mr. R. Wouters te Middelburg,
en
[de man](hierna te noemen: de man),
wonende te [woonplaats 2] ,
verweerder,
advocaat: mr. S. Kandemir te Dordrecht.
Ouders van de minderjarigen:
1. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2019,
2. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2021,
Als informant wordt aangemerkt:
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
gevestigd te Middelburg .
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg, hierna te noemen: de Raad.
1. Het (verdere) procesverloop
1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken:
- de beschikking van deze rechtbank d.d. 11 september 2023, met de daarin genoemde stukken;
- het op 10 november 2023 ontvangen raadsrapport.
1.2. De zaak is nader behandeld op de mondelinge behandeling van 20 november 2024. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg, hierna te noemen de raad. Gelet op de nauwe samenhang is onderhavige zaak gelijktijdig behandeld met het verzoek van de GI in de zaak met zaaknummer C/02/426215 / JE RK 24-1590. In die zaak is bij afzonderlijke beschikking beslist, inhoudende dat de onder toezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is verlengd voor de duur van een jaar, aldus tot 29 november 2025.

2.De (verdere) beoordeling

2.1.
Bij beschikking d.d. 16 februari 2023 heeft deze rechtbank, voor zover relevant, de echtscheiding uitgesproken in het tussen partijen op [datum] 2017 te Kayapinar (Turkije) gesloten huwelijk. Ook is bepaald dat de minderjarigen hun hoofdverblijf hebben bij de vrouw en er is een kinderbijdrage vastgesteld. De zaak is voor wat betreft de verzoeken omtrent de zorgregeling c.q. omgangsregeling en het gezag aangehouden voor de duur van zes maanden.
2.2.
Bij beschikking d.d. 11 september 2023 heeft deze rechtbank de zaak verwezen naar de familiekamerrol in afwachting van de bevindingen van de Raad.
2.3.
Thans ligt aldus nog voor het (gewijzigde) verzoek van de vrouw om het ouderlijk gezag de minderjarigen, te wijzigen en te bepalen dat de vrouw voortaan het eenhoofdig gezag heeft over deze minderjarigen, alsook het verzoek van de man een zorgregeling vast te
stellen waarbij de kinderen om het weekend bij hem verblijven, alsmede de helft van de
vakanties.
Gezag
2.4.
De Raad adviseert in het raadsrapport geen wijziging aan te brengen in de gezagsverhouding, omdat dit op dit moment niet tegemoet komt aan de belangen van de minderjarigen. Eerst dient middels een ondertoezichtstelling geprobeerd te worden om de strijd tussen de ouders te doen verminderen. Er is sprake van een verstoorde communicatie tussen de ouders, maar deze heeft niet tot gevolg dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ernstig klem of verloren zijn geraakt tussen de ouders. Het gezamenlijk gezag dient dan volgens de Raad ook gehandhaafd te worden. Er bestaat een groot risico dat ingeval de vrouw wordt belast met het eenhoofdig gezag, het contact tussen de man en de minderjarigen verder op de tocht komt te staan en er uiteindelijk helemaal geen contact meer zal zijn tussen de man en de minderjarigen. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling adviseert de Raad het verzoek ten aanzien van het gezag toch aan te houden. Er moet nog het een en ander aan hulpverlening ingezet worden om de onderlinge communicatie tussen de ouders te verbeteren. Als het partijen lukt samen tot een ouderschapsplan te komen, dan lukt gezamenlijk gezag ook.
2.5.
De vrouw heeft geen toevoegingen op het advies van de Raad zoals tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht en verzoekt het verzoek ten aanzien van het gezag aan te houden.
2.6.
Door en namens de man wordt tijdens de mondelinge behandeling verzocht een eindbeslissing te geven ten aanzien van het verzoek tot het gezag. Er is geen enkele juridische of feitelijke grondslag om de vrouw alleen met het gezag te belasten. Dit is ook niet onderbouwd. Alleen problemen in de communicatie is geen reden om een wijziging in het gezag aan te brengen.
2.7.
De rechtbank oordeelt als volgt. Ingevolge artikel 827 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan de rechter in een echtscheidingsprocedure als nevenvoorziening een voorziening geven omtrent (onder andere) het gezag. Op grond van artikel 1:251a lid 1 BW kan de rechter bepalen dat het gezag over minderjarigen aan één ouder toekomt indien er een onaanvaardbaar risico is dat bij instandhouding van gezamenlijk gezag van beide ouders de kinderen klem of verloren zouden raken tussen die ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of indien wijziging van het gezag anderszins in het belang van de minderjarigen noodzakelijk is.
2.8.
De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Het in de wet neergelegde uitgangspunt houdt in dat de ouders ook na echtscheiding gezamenlijk het gezag uitoefenen. Met inachtneming van het raadsonderzoek en gelet op het uitgangspunt van de wet, is er naar het oordeel van de rechtbank geen onaanvaardbaar risico is dat de minderjarigen bij uitoefening van het gezamenlijk gezag klem of verloren zal raken tussen de ouders. Evenmin zijn feiten of omstandigheden gesteld die maken dat toewijzing van het verzoek van de vrouw tot eenhoofdig gezag anderszins in het belang van de minderjarigen noodzakelijk is. Anderzijds bestaat er wel het risico dat door toewijzing van het verzoek van de vrouw, het contact tussen de minderjarigen en de man op de tocht komt te staan en misschien zelfs stagneert. De rechtbank ziet geen aanleiding het verzoek van de vrouw langer aan te houden. Hoewel het advies van de Raad om het verzoek af te wijzen inmiddels een jaar oud is, is er nu zelfs sprake van omgang, hetgeen destijds niet het geval was. Dat het advies nu anders luidt maakt niet dat de rechtbank het verzoek toch aan zal houden. De ouders zijn met elkaar in gesprek en er zijn nog altijd geen contra-indicaties voor gezamenlijk gezag. Gelet op het vorengaande alsook dat bij aanhouding van het verzoek deze kwestie tussen partijen in zal blijven staan en de positie van de man onder druk houdt, hetgeen de onderlinge verstandhouding geen goed zal doen, wijst de rechtbank het verzoek van de vrouw af. Partijen zullen op deze manier als een gelijkwaardige positie hebben in het te volgen hulpverleningstraject en de ondertoezichtstelling. Zij zullen zich er in het belang van de minderjarigen samen voor in moeten zetten om weer als ouders met elkaar te communiceren. De rechtbank verwacht van partijen dat zij, met hulp en sturing van de GI, de nodig geachte stappen in hun onderlinge communicatie in het kader van de ondertoezichtstelling zullen zetten.
Zorgregeling
2.9.
Ten aanzien van de zorgregeling geeft de Raad in haar raadsrapport aan dat er verschillende contra-indicaties zijn voor onbegeleid contact. Ouders uiten zorgen over elkaar en zijn niet in staat om zelfstandig tot afspraken te komen over de zorgregeling. Op dit moment is de GI in het kader van de ondertoezichtstelling bezig met de opbouw van de contactmomenten. Hier zitten partijen midden in. Onduidelijk is nog welke regeling in het belang is van de minderjarigen. Dit zal binnen de ondertoezichtstelling duidelijk moeten worden. De raad heeft er vertrouwen in dat dit op een goede manier vormgegeven zal worden. Om deze reden adviseert de Raad de zaak ten aanzien van de zorgregeling aan te houden.
2.10.
De vrouw kan zich vinden in het advies van de Raad om de zaak ten aanzien van de zorgregeling aan te houden. Er kan nog geen knoop doorgehakt worden, omdat partijen in het kader van de ondertoezichtstelling bezig zijn de zorgregeling zorgvuldig op te bouwen. Gezien de recente ontwikkelingen, waarbij door de GI is besloten even niet verder uit te breiden in de contactmomenten gezien de nachtmerries van [minderjarige 1] , is nog onduidelijk hoe de zorgregeling eruit zal gaan zien. De vrouw doet er alles aan en ziet het belang dat de minderjarigen contact hebben met de man.
2.11.
De man begrijpt niet waarom de uitbreiding van de zorgregeling nu even wordt stopgezet. Het kan ook zijn dat de minderjarigen juist meer behoefte hebben aan contact met de man. De man verzoekt een eindbeslissing te geven nu er geen feitelijk of juridisch beletsel is tegen een uitgebreide zorgregeling. Subsidiair verzoekt de man de zorgregeling in handen van de GI te leggen. De man is het niet eens met aanhouding van het verzoek.
2.12.
De GI geeft aan in de startblokken te staan van de vormgeving van de zorgregeling. Hierin wordt het tempo van de minderjarige gevolgd. Op dit moment wordt de uitbreiding even stop gezet, gezien de nachtmerries van [minderjarige 1] . Een vaste zorgregeling is er nog niet. Het doel is naar een ouderschapsplan toe te werken. De GI is aldus in het kader van de ondertoezichtstelling druk bezig de zorgregeling vorm te geven.
2.13.
De rechtbank oordeelt als volgt. De rechtbank zal het verzoek ten aanzien van de zorgregeling, conform het advies van de Raad, aanhouden. Onduidelijk is welke regeling uiteindelijk het meest in het belang van de minderjarigen wordt geacht en waar aldus naar toe wordt gewerkt. De GI is op dit moment volop bezig dit in het kader van de ondertoezichtstelling te onderzoeken en vorm te geven. Het is dan ook nog te precair reeds te oordelen welke (eind)regeling thans het meest in het belang is van de minderjarigen. De rechtbank zal het verzoek van de man ten aanzien van de zorgregeling aanhouden in afwachting van de resultaten die in de komende periode binnen het kader van de ondertoezichtstelling bereikt worden. Aan de GI en partijen wordt verzocht om uiterlijk op de hierna te noemen pro forma datum een schriftelijk verslag over te leggen omtrent de stand van zaken en zich uit te laten over het door hen gewenste verdere procesverloop. Voorts verzoekt de kinderrechter de GI hierbij aan te geven of zij een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling in (zullen) dienen. De kinderrechter verzoekt de Raad vervolgens om binnen 14 dagen na de hierna te noemen pro forma datum een schriftelijk advies over te leggen. Alsdan zal bezien worden of een nieuwe (gecombineerde) mondelinge behandeling in november 2025 nodig wordt geacht.

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
wijst het verzoek van de vrouw met betrekking tot het gezag af;
3.2.
houdt het verzoek van de man met betrekking tot de zorgregeling aan tot
14 oktober 2025 pro forma,zulks in afwachting van de berichtgeving van de GI, partijen en de Raad zoals omschreven onder rechtsoverweging 2.13.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van Noort, en, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 23 december 2024.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
verzonden op:

Voetnoten

1.In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van het gerecht.