ECLI:NL:RBZWB:2024:9462

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
21 mei 2024
Publicatiedatum
10 februari 2025
Zaaknummer
RK 24-004102
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94 SvArt. 552a SvArt. 552d lid 2 SvArt. 36b SrArt. 552f Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gegrondverklaring klaagschrift en teruggave personenauto wegens ontbreken strafvorderlijk belang voortduren beslag

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde een klaagschrift ex artikel 552a Sv tegen het beslag op een personenauto van klager, die werd ingediend naar aanleiding van een TCI-melding en een witwasonderzoek. Klager betoogde dat er geen concrete verdenking bestond en dat het onderzoek onvolledig was, waardoor het beslag onterecht was en zijn gezondheid negatief werd beïnvloed.

De officier van justitie stelde dat het beslag gehandhaafd diende te blijven vanwege het lopende witwasonderzoek en de mogelijkheid van verbeurdverklaring. De rechtbank gaf de officier van justitie de gelegenheid om aanvullend proces-verbaal in te dienen, maar deze stukken kwamen te laat binnen.

De rechtbank oordeelde dat het onderzoek in raadkamer summier is en dat het belang van strafvordering het beslag moet rechtvaardigen. Uit de beschikbare stukken bleek onvoldoende steun voor de verdenking van witwassen en geen strafvorderlijk belang om het beslag te handhaven. Ook was niet gebleken dat een ander dan klager als rechthebbende kon worden aangemerkt.

Daarom verklaarde de rechtbank het klaagschrift gegrond en gelastte de teruggave van de personenauto aan klager. Deze beslissing werd op 3 juni 2024 uitgesproken door rechter R.J.H. Goossens.

Uitkomst: Het klaagschrift wordt gegrond verklaard en de teruggave van de personenauto aan klager wordt gelast.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team strafrecht
Locatie Breda
rk.nummer: 24-004102
Beslissing op het klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering van:
[klager]
geboren op [geboortedag] 1964 te [geboorteplaats], [land]
woonplaats kiezende ten kantore van mr. T. Roggenkamp op het adres: Molenstraat 10 4701 JS Roosendaal
Klager is [klager] voornoemd.

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
  • de kennisgeving van inbeslagname op grond van artikel 94 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna te noemen: Sv), waaruit blijkt dat op op 10 januari 2024 onder klager in beslag is genomen: een personenauto van het merk Mercedes, type Amg 63 S, kleur zwart met [kenteken] (hierna te noemen: de personenauto);
  • het klaagschrift, ingediend op 15 februari 2024 ter griffie van deze rechtbank ingevolge artikel 552a Sv;
  • het verweerschrift van de officier van justitie;
  • het proces-verbaal van de raadkamerbehandeling van 7 mei 2024;
  • de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.
Het klaagschrift is behandeld in raadkamer op 7 mei 2024. Tijdens deze behandeling heeft de rechtbank de officier van justitie tot uiterlijk 21 mei 2024 de gelegenheid gegeven om een aanvullend proces-verbaal in te dienen inhoudende de stand van zaken omtrent het witwasonderzoek naar klager. Tevens heeft klager tot uiterlijk 28 mei 2024 de gelegenheid gekregen om hierop een schriftelijke reactie in te dienen.
De rechtbank stelt vast dat op 22 mei 2024 namens klager is verzocht om het klaagschrift gegrond te verklaren aangezien de officier van justitie heeft verzuimd om binnen de gestelde termijn een aanvullend proces-verbaal in te dienen. Op 27 mei 2024 is namens klager nogmaals verzocht om het klaagschrift gegrond te verklaren wegens de termijnoverschrijding van de officier van justitie. Daarbij is een inhoudelijke reactie ingediend op twee processen-verbaal, die kennelijk namens de officier van justitie aan klager zijn verstrekt. Deze inhoudelijke reactie houdt kortgezegd in dat uit de processen-verbaal volgt dat klager netjes zijn inkomstenbelasting betaalt en het gedane onderzoek onvolledig is nu de jaarstukken van het bedrijf van klager niet in het onderzoek zijn meegenomen.
De rechtbank stelt vast dat op 28 mei 2024 namens de officier van justitie twee processen-verbaal zijn ingediend waaruit – kort samengevat – blijkt dat er een ICOV-aanvraag is gedaan om inzicht te krijgen in het inkomen en de vermogenspositie van klager.
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het gelegde beslag met last tot teruggave aan de klager. Daartoe is aangevoerd dat de personenauto van klager in beslag is genomen naar aanleiding van een TCI-melding. Echter is een concrete verdenking van een strafbaar feit hieruit niet gebleken. Klager heeft een autogarage en voorziet op verzoek van zijn klanten in allerlei modificaties. De TCI-melding is op geen enkele wijze onderbouwd en is niet concreet, het Openbaar Ministerie heeft daarnaast nagelaten om stukken aan klager te verstrekken. Klager heeft dan ook geen enkele informatie over de verdenking of de stand van het onderzoek. Klager wordt ernstig bezwaard door de inbeslagname en het voortduren daarvan. De hele situatie heeft een negatief effect op de gezondheid van klager. Klager verzoekt dan ook om het klaagschrift gegrond te verklaren en de teruggave van de personenauto te gelasten.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het nog niet bekend is wanneer de strafzaak van klager op zitting komt. Uit de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie volgt dat het beslag gehandhaafd dient te worden nu de personenauto in beslag is genomen in het kader van een witwasonderzoek en een verbeurdverklaring van de personenauto in de rede ligt.

2.De beoordeling

De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend en klager is ontvankelijk in het klaagschrift.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv Pro als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad sinds HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, r.o. 2.8 en 2.9, dient de rechter, in geval van een klaagschrift tegen een op grond van artikel 94 Sv Pro gelegd beslag:
a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen,
b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.
In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard en kan, mits de hiervoor bedoelde ander zelf een klaagschrift heeft ingediend, de teruggave aan die rechthebbende worden gelast.
Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv Pro de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Voorts verzet het door artikel 94 Sv Pro beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen, al dan niet naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld in artikel 36b, eerste lid onder 4o, Sr in verbinding met artikel 552f Sv.
De rechtbank overweegt dat de officier van justitie tot uiterlijk 21 mei 2024 de gelegenheid had om een aanvullend proces-verbaal in te dienen. Echter zijn er pas op 28 mei 2024 aanvullende stukken bij de rechtbank binnengekomen, dat is te laat. Daar komt bij dat uit het verhandelde in raadkamer is gebleken dat de inbeslagname van de personenauto kennelijk was gestoeld op de verdenking van witwassen, maar dat deze verdenking geen (voldoende) steun vindt in de voor de zitting aan de rechtbank bekend gemaakte stukken en ook niet in de nadien alsnog overgelegde processen-verbaal. Gelet daarop bestaat vooralsnog geen (voldoende) grond voor de aanname dat de personenauto op basis van deze verdenking te zijner tijd verbeurdverklaard zal worden, dan wel onttrokken zal worden aan het verkeer.
Nu er ook overigens geen strafvorderlijk belang bestaat bij het voortduren van het beslag en de rechtbank niet is gebleken dat een ander dan klager redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van de personenauto is aan te merken, zal de rechtbank het klaagschrift gericht tegen het op grond van artikel 94 Sv Pro gelegde beslag gegrond verklaren en de teruggave van de personenauto aan klager gelasten.

3.De beslissing

De rechtbank verklaart het klaagschrift gegrond en gelast de teruggave van de personenauto aan klager.
Deze beslissing is op 3 juni 2024 gegeven door mr. R.J.H. Goossens, rechter, in tegenwoordigheid van J.H. Cornelissen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 juni 2024.
De griffier is niet de gelegenheid om deze beschikking mede te ondertekenen.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing
beroep in cassatieworden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).