Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Verloop van de procedure
Standpunten
Overwegingen
€ 437,50
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een administratieve sanctie opgelegd wegens het negeren van een inhaalbord (bord F1) op de Hazeldonkse Zandweg te Zevenbergen op 1 mei 2022. Na een ongegrond verklaard beroep bij de officier van justitie, werd het beroep voorgelegd aan de kantonrechter.
De kantonrechter oordeelde dat de gedraging vaststond op basis van de verklaring van de verbalisant, die in zaken op grond van de Wahv doorgaans voldoende bewijs vormt. Betrokkene voerde geen specifieke feiten aan die twijfel aan deze verklaring rechtvaardigen.
Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn van berechting, zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, met ruim zes maanden was overschreden. Hierdoor matigde de rechtbank de boete met 25%. Tevens werd betrokkene een proceskostenvergoeding toegekend voor de fase bij de kantonrechter, en werd een teveel betaalde zekerheidstelling terugbetaald.
De beslissing van de officier van justitie werd aldus gewijzigd en het beroep gedeeltelijk gegrond verklaard.
Uitkomst: Beroep gedeeltelijk gegrond met matiging van de boete met 25% wegens overschrijding redelijke termijn en toekenning proceskostenvergoeding.