Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene] B.V.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een boete voor het parkeren op een vergunninghoudersplaats zonder dat de vergunning zichtbaar was achter de voorruit. Betrokkene stelde dat de vergunning aanwezig was, maar mogelijk was weggeschoven of weggewaaid. De officier van justitie verklaarde het beroep ongegrond, omdat de boete was opgelegd wegens het niet zichtbaar zijn van de vergunning, een overtreding van de vergunningvoorwaarden.
De kantonrechter oordeelde dat de overtreding vaststaat op basis van de verklaring van de verbalisant. Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn van behandeling van de zaak was overschreden, aangezien de boete op 11 oktober 2022 werd opgelegd en het beroep pas op 13 december 2024 werd behandeld, ruim meer dan twee jaar later.
Hierdoor werd de boete met 25% gematigd. Daarnaast werd een proceskostenvergoeding van €437,50 toegekend voor de fase bij de kantonrechter. De kantonrechter wees erop dat de proceskostenvergoeding wettelijk alleen aan betrokkene mag worden uitbetaald en verklaarde zich onbevoegd om te oordelen over bezwaren tegen de wijze van uitbetaling.
De officier van justitie werd opgedragen het teveel betaalde bedrag van €25,- terug te betalen. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: De boete wordt met 25% gematigd en proceskostenvergoeding toegekend wegens overschrijding redelijke termijn.