Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een administratieve sanctie opgelegd voor het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden op de Haagweg te Breda op 26 oktober 2022. Tegen deze boete werd beroep ingesteld, dat eerst door de officier van justitie ongegrond werd verklaard. Vervolgens werd het beroep bij de kantonrechter voortgezet, waarbij gemachtigde namens betrokkene een pro-forma beroep indiende en verzocht om een termijn voor aanvullende gronden en een proceskostenvergoeding.
De kantonrechter oordeelde dat de gedraging van betrokkene vaststaat op grond van de verklaring van de verbalisant en dat de boete terecht is opgelegd. Betrokkene had verklaard te denken dat het vasthouden van een mobiele telefoon zonder gebruik was toegestaan, maar de kantonrechter benadrukte dat dit voor eigen risico is. Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn van berechting werd overschreden, aangezien de procedure langer dan twee jaar duurde vanaf het opleggen van de boete.
Vanwege deze overschrijding matigde de kantonrechter de boete met 25%, waardoor het beroep gedeeltelijk gegrond werd verklaard. Tevens werd de officier van justitie opgedragen het teveel betaalde bedrag aan zekerheidstelling terug te betalen. Daarnaast werd een proceskostenvergoeding van € 437,50 toegekend voor de fase waarin de redelijke termijn werd overschreden. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: De boete wegens vasthouden van een mobiel apparaat tijdens het rijden wordt met 25% gematigd vanwege overschrijding van de redelijke termijn.