Belanghebbende is eigenaar van een vrijstaande woning uit 1972 met een gebruikersoppervlakte van 147 m2 en een garage van 18 m2. De heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg heeft de WOZ-waarde per 1 januari 2021 vastgesteld op €491.000, wat leidde tot een aanslag onroerendezaakbelasting voor 2022.
Belanghebbende betwist deze waarde en stelt dat de woning maximaal €410.000 waard is. De rechtbank toetst de waardebepaling aan de hand van de vergelijkingsmethode, waarbij de waarde wordt bepaald door vergelijking met recent verkochte, voldoende vergelijkbare woningen in de omgeving.
De heffingsambtenaar heeft een taxatierapport overlegd met vier vergelijkingsobjecten, die de rechtbank voldoende vergelijkbaar acht qua ligging, bouwjaar, uitstraling en oppervlakte. De rechtbank vindt dat de heffingsambtenaar voldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe met verschillen tussen de woningen is omgegaan, ook bij de herwaardering van de liggingfactor. De stelling van belanghebbende dat sommige vergelijkingsobjecten niet bruikbaar zijn vanwege een afwijking van meer dan 35% wordt verworpen, omdat deze instructie niet bindend is voor de rechter.
De rechtbank concludeert dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld en verklaart het beroep ongegrond. De aanslag OZB blijft gehandhaafd en belanghebbende krijgt het griffierecht niet vergoed.