Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene] B.V.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een boete voor het rijden met 7 km per uur te hard op een weg buiten de bebouwde kom. Betrokkene stelde dat de boete onterecht was omdat de verkeersborden pas na de overtreding waren geplaatst, waardoor hij niet op de hoogte kon zijn van de snelheidslimiet.
De kantonrechter oordeelde dat de verklaring van de verbalisant voldoende bewijs leverde dat de overtreding had plaatsgevonden en dat de bebording ter plaatse aanwezig was op het moment van de overtreding. De stelling van betrokkene dat de bebording ontbrak werd verworpen.
Verder werd vastgesteld dat de procedure bij de officier van justitie en de kantonrechter samen meer dan twee jaar duurde, wat een schending van het recht op een redelijke termijn betekende. Dit leidde tot een matiging van de boete met 25%.
Daarnaast werd vastgesteld dat betrokkene niet in de gelegenheid was gesteld om gehoord te worden door de officier van justitie, wat een schending van de hoorplicht inhoudt. Dit leidde tot een verdere matiging van de boete met 25%.
De kantonrechter verklaarde het beroep gedeeltelijk gegrond, matigde de boete tot € 25,88 plus administratiekosten en beval terugbetaling van teveel betaalde zekerheid.
Uitkomst: Beroep gedeeltelijk gegrond verklaard en boete gematigd tot € 25,88 wegens schending hoorplicht en overschrijding redelijke termijn.