Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een boete opgelegd voor het rijden met een voertuig op een voetpad in Tilburg op 23 augustus 2022. Betrokkene voerde aan dat hij door een vrachtwagen die de weg blokkeerde geen andere keuze had dan met twee wielen op het voetpad te rijden, zonder daarbij voetgangers te hinderen of gevaar te veroorzaken.
De officier van justitie verklaarde het beroep ongegrond, maar de kantonrechter stelde vast dat de gedraging voldoende vaststond op basis van de verklaring van de verbalisant en een foto. De kantonrechter oordeelde dat de boete terecht was opgelegd, maar constateerde een schending van de hoorplicht door de officier van justitie, omdat betrokkene niet in de gelegenheid was gesteld om gehoord te worden.
Daarnaast was de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak met ruim vier maanden overschreden, wat ook aanleiding gaf tot matiging van de boete. Gezien deze omstandigheden matigde de kantonrechter de boete met 50% in totaal, waarbij de officier van justitie werd opgedragen het teveel betaalde bedrag terug te betalen.
De beslissing van de officier van justitie werd gewijzigd en het beroep van betrokkene gedeeltelijk gegrond verklaard. Betrokkene kon binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Uitkomst: Beroep gedeeltelijk gegrond verklaard en boete gematigd met 50% vanwege schending hoorplicht en overschrijding redelijke termijn.