Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een verkeersboete opgelegd wegens het niet gebruiken van de rijbaan als bromfietser op een locatie zonder verplicht fiets/bromfietspad. Betrokkene stelde dat hij de gedraging niet had verricht en dat hij slechts met de motor uit langs de weg stond. De officier van justitie verklaarde het administratief beroep ongegrond, waarna betrokkene beroep instelde bij de kantonrechter.
De kantonrechter oordeelde dat de gedraging voldoende was vastgesteld aan de hand van de verklaring van de verbalisant en een foto in het dossier. Er waren geen specifieke feiten die de juistheid van de verklaring in twijfel trokken. Wel werd vastgesteld dat de hoorplicht door de officier van justitie was geschonden omdat betrokkene niet in de gelegenheid was gesteld gehoord te worden, wat leidt tot vernietiging van de beslissing op het administratief beroep.
Daarnaast was de redelijke termijn van behandeling overschreden, aangezien de boete op 1 oktober 2022 werd opgelegd en de procedure langer dan twee jaar duurde. Hierdoor matigde de kantonrechter de boete met 25%. Vanwege de schending van de hoorplicht matigde hij de boete nogmaals met 25%, waardoor de boete in totaal met 50% werd verminderd. De officier van justitie werd opgedragen het teveel betaalde bedrag terug te betalen.
Uitkomst: De boete wordt gematigd met 50% vanwege schending van de hoorplicht en overschrijding van de redelijke termijn.