ECLI:NL:RBZWB:2025:1170

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
26 februari 2025
Publicatiedatum
28 februari 2025
Zaaknummer
C/02/430429 / JE RK 25-16
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Bogaert
  • Jansen
  • De Vlieger
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing na beëindiging gezag moeder

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 6 februari 2025 het verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige geboren in 2021. De minderjarige verblijft sinds juni 2023 in een perspectief biedend pleeggezin. De moeder, die momenteel gedetineerd is in België, was digitaal aanwezig tijdens de mondelinge behandeling.

Eerder had de kinderrechter verschillende beschikkingen gegeven tot ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing, met verlengingen tot en met maart 2025. Bij een gelijktijdige beschikking is het gezag van de moeder over de minderjarige beëindigd en is de GI benoemd tot voogd. Deze beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Gezien de beëindiging van het gezag en de voogdijbenoeming heeft de GI geen belang meer bij de verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing. De rechtbank wijst daarom de verzoeken af. Tegen deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de uitspraak.

Uitkomst: Verzoek tot verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing wordt afgewezen wegens beëindiging gezag moeder.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/430429 / JE RK 25-16
Datum uitspraak: 26 februari 2025
Beschikking van de meervoudige kamer over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING EN JEUGDRECLASSERING, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI),
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2021 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
momenteel gedetineerd in België,
advocaat: mr. J. Nederlof te Tilburg,
[de pleegouders],
hierna te noemen: de pleegouders,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad, de rechtbank over de verzoeken geadviseerd.

1.Het verloop van de procedure

1.1
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 3 januari 2025, ingekomen bij de griffie op diezelfde datum.
1.2
Op 6 februari 2025 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de zaak behandeld tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren. Bij die gelegenheid zijn verschenen en gehoord:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- twee vertegenwoordigsters van de GI;
- de pleegouders.
1.3
Volledigheidshalve merkt de rechtbank op dat de moeder digitaal, via MS Teams, bij de mondelinge behandeling aanwezig was.
1.4
Gelet op de nauwe samenhang tussen dit verzoek van de GI en het verzoek van de Raad in de zaak met het kenmerk C/02/421417 FA RK 24-1848, zijn deze zaken gelijktijdig mondeling behandeld. In beide zaken wordt bij aparte beschikkingen van heden beslist.

2.De feiten

2.1
Bij beschikking van 12 december 2022 heeft de kinderrechter [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI, met ingang van 12 december 2022 tot 12 maart 2023. Daarnaast is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend, met ingang van 12 december 2022 tot 26 december 2022, onder de aanhouding van het resterende deel van het verzoek. Bij beschikking van 22 december 2022 heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 226december 2022 tot 12 maart 2023.
2.2
Bij beschikking van 3 maart 2023 heeft de kinderrechter [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 3 maart 2023 tot 3 maart 2024. Daarnaast is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in het gezinshuis ‘ [naam gezinshuis] ’ te [plaats] verlengd met ingang van 12 maart 2023 tot 12 december 2023.
2.3
Bij beschikking van 3 juli 2023 heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin verleend met ingang van 3 juli 2023 tot 3 maart 2024.
2.4
Laatstelijk, bij beschikking van 23 februari 2024 heeft de kinderrechter zowel de
ondertoezichtstelling van [minderjarige] als de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd met ingang van 3 maart 2024 tot 3 maart 2025.
2.5
Op grond van voormelde machtiging verblijft [minderjarige] in het perspectief biedend pleeggezin sinds juni 2023.
2.6
Bij beschikking van heden, in de zaak met het kenmerk C/02/421417 FA RK 24-1848 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank het gezag van de moeder over [minderjarige] beëindigd en is de GI tot voogdes over hem benoemd.

3.De verzoeken

3.1
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar.
3.2
Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
3.3
De GI verzoekt verder de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De beoordeling

4.1
De rechtbank overweegt dat bij beschikking van heden (in de zaak met het kenmerk C/02/421417 FA RK 24-1848) het gezag van de moeder over [minderjarige] is beëindigd. Daarnaast heeft de rechtbank de GI tot voogdes over [minderjarige] benoemd. Die beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
4.2
Het voorgaande betekent dat de GI geen belang meer heeft bij de onderhavige verzoeken.
4.3
Dit leidt tot de volgende beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1
wijst de verzoeken af.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2025 door mr. Bogaert, voorzitter, mr. Jansen en mr. De Vlieger, allen kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. Vos als griffier.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
  • door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.