ECLI:NL:RBZWB:2025:1256
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Beslissing RC
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen opheffing voorlopige hechtenis wegens anticipatiegebod
De rechter-commissaris had op 30 januari 2025 een bevel tot bewaring tegen verdachte verleend en deze bewaring op 7 februari 2025 opgeheven met toepassing van het anticipatiegebod uit artikel 67a, derde lid, Sv. De officier van justitie stelde hiertegen hoger beroep in. De rechtbank heeft op 25 februari 2025 de partijen gehoord en de stukken bestudeerd.
De rechtbank overweegt dat het anticipatiegebod vereist dat de rechter inschat of de uiteindelijk op te leggen straf of maatregel langer zal zijn dan de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Hierbij moet worden geanticipeerd op de straf die de zittingsrechter waarschijnlijk zal opleggen, rekening houdend met vergelijkbare zaken, strafblad en andere omstandigheden. De tijdelijke instructie van het college van procureurs-generaal over strafbeschikkingen bij vermogensdelicten speelt hierbij geen doorslaggevende rol.
Gelet op de aard van het feit en het strafblad van verdachte acht de rechtbank het anticipatiegebod niet van toepassing. Daarom kan de beslissing van de rechter-commissaris om de bewaring op te heffen niet worden gehandhaafd. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het bevel tot inbewaringstelling van 30 januari 2025 herleeft en de voorlopige hechtenis wordt voortgezet.
Het subsidiaire verzoek van de verdediging tot schorsing van de voorlopige hechtenis wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat dergelijke verzoeken in de fase van inbewaringstelling bij de rechter-commissaris moeten worden ingediend.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de voorlopige hechtenis van verdachte wordt hersteld.