ECLI:NL:RBZWB:2025:1283
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vaststelling WIA-dagloon bij vrijwillige verzekering zonder indexering
Eiser, een zelfstandige met een vrijwillige WAO/WIA-verzekering, betwistte de vaststelling van zijn WIA-dagloon door het UWV op €36,30. Hij stelde dat zijn dagloon hoger had moeten zijn, gebaseerd op een oorspronkelijk hoger verzekerd bedrag uit 1999 dat nooit geïndexeerd werd. Het UWV stelde dat er geen bewijs was van een doorlopende WAO-uitkering en dat eiser nooit om indexering had verzocht, terwijl hij daarvoor zelf verantwoordelijk was.
De rechtbank stelde vast dat eiser sinds 2004 premies betaalde op basis van het dagloon van €36,30 en dat het UWV geen plicht had om dit bedrag ambtshalve te verhogen. Verder was niet gebleken dat eiser eerder een WAO-uitkering ontving die herleefde. De rechtbank concludeerde dat het UWV het dagloon correct had vastgesteld conform de vrijwillige verzekering.
Daarmee werd het beroep van eiser ongegrond verklaard. De rechtbank benadrukte dat eiser verantwoordelijk is voor zijn keuzes omtrent vrijwillige verzekeringen, ook als die achteraf nadelig blijken. Er werd geen vergoeding van griffierecht of proceskosten toegekend.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de vaststelling van het WIA-dagloon op €36,30 wordt ongegrond verklaard.