Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde waarden van twee onroerende zaken en de daarop gebaseerde aanslagen onroerendezaakbelasting (OZB) en watersysteemheffing. Na vernietiging van de eerste aanslagen wegens onjuiste objectafbakening, stelde de heffingsambtenaar een nieuwe gecombineerde waarde vast voor het samengevoegde object bestaande uit woning en winkelruimte.
Belanghebbende voerde aan dat het object uitsluitend als woning wordt gebruikt en dat het winkeldeel al tien jaar leegstaat, waardoor de objectafbakening onjuist zou zijn. De rechtbank oordeelde dat minder dan 70% van de WOZ-waarde aan woondoeleinden kan worden toegerekend, waardoor het gehele object als niet-woning moet worden aangemerkt volgens artikel 220a, tweede lid, van de Gemeentewet.
Verder stelde de rechtbank vast dat belanghebbende niet tweemaal OZB heeft betaald, omdat eerdere aanslagen waren vernietigd en betaalde bedragen waren teruggestort. Het beroep werd ongegrond verklaard, de aanslag gehandhaafd en het griffierecht niet teruggegeven. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen geïnformeerd over de mogelijkheid tot hoger beroep.