De man vordert nakoming van de omgangsregeling met zijn minderjarige kind, die door de vrouw eenzijdig werd stopgezet na drie keer uitvoering. De omgang was begeleid en verliep goed, maar de vrouw wilde aanvullende voorwaarden stellen vanwege vermoedens van drugsgebruik door de man. De voorzieningenrechter acht het spoedeisend belang van de man bewezen en wijst de vordering toe.
De casusregisseur en de Raad voor de Kinderbescherming benadrukken het belang van continuïteit in het contact tussen vader en kind en wijzen op de aanwezigheid van een begeleider om de veiligheid te waarborgen. Partijen bereiken overeenstemming om de omgang vanaf 28 februari 2025 te hervatten zonder verdere stopzetting tenzij de veiligheid van het kind in het geding is.
Vooruitlopend op de bodemprocedure wordt de Raad verzocht een onderzoek te verrichten naar de meest passende omgangsregeling, inclusief eventuele contra-indicaties. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en het overige wordt afgewezen.