ECLI:NL:RBZWB:2025:1338
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2017-2018
Belanghebbende had tot 2015 een agrarische onderneming waarbij onroerende zaken tot het ondernemingsvermogen behoorden. Vanaf 2016 behoren deze tot het privévermogen. De inspecteur stelde navorderingsaanslagen IB/PVV voor 2017 en 2018 vast omdat belanghebbende de waarde van de onroerende zaken niet had opgenomen in het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen.
De rechtbank oordeelt dat de inspecteur terecht navorderingsaanslagen heeft opgelegd, omdat hij pas tijdens een zitting over het aanslagjaar 2015 ontdekte dat de onroerende zaken niet waren aangegeven in de jaren 2017 en 2018. Dit vormt een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt. Het controlerapport uit 2019 betrof alleen 2015 en gaf geen aanleiding tot eerder onderzoek.
Belanghebbende voerde aan dat de grondslag van het inkomen uit sparen en beleggen te hoog was, verwijzend naar jurisprudentie na het Kerst-arrest, maar slaagde niet in de bewijslast. De beroepen zijn daarom ongegrond verklaard, de navorderingsaanslagen blijven gehandhaafd en belanghebbende krijgt geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug.
Uitkomst: De beroepen tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV 2017 en 2018 worden ongegrond verklaard en de aanslagen blijven gehandhaafd.