Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Het verloop van de procedure
- cliënte, bijgestaan door haar advocaat;
- de moeder van cliënte;
- mevrouw [naam 1], behandelaar;
- de heer [naam 2], begeleider.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) verzocht de rechtbank om een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf voor een cliënte met een verstandelijke handicap en psychische stoornis, op grond van artikel 26 Wet Pro zorg en dwang (Wzd). De mondelinge behandeling vond plaats met gesloten deuren, waarbij de cliënte, haar moeder, behandelaar en begeleider werden gehoord.
De cliënte gaf aan het goed te hebben op de huidige afdeling en geen intentie te hebben om weg te lopen, hoewel zij soms nog op haar kamer verblijft en meer sociale interactie wenst. De behandelaar en begeleider bevestigden dat er in het verleden sprake was van agressie, brandstichting en wegloopgedrag, maar dat de situatie recentelijk stabieler is geworden door passende zorg en activiteiten.
De rechtbank stelde vast dat de cliënte een ernstige handicap en stoornis heeft die tot ernstig nadeel leidt, maar dat zij momenteel voldoende meewerkt en geen actief verzet toont tegen opname en verblijf. Gezien het ontbreken van een minder ingrijpende mogelijkheid om het ernstig nadeel te voorkomen, wijst de rechtbank het verzoek af. De rechtbank adviseert bij een verslechtering de procedure voor inbewaringstelling te volgen.
Uitkomst: Het verzoek tot rechterlijke machtiging tot opname en verblijf wordt afgewezen vanwege het ontbreken van voldoende verzet en het bestaan van een minder ingrijpende zorgmogelijkheid.