Uitspraak
uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 maart 2025 in de zaak tussen
[verzoeker], uit [plaats] , verzoeker, en
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Verzoekers hebben een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van het dagelijks bestuur van Samenwerking De Bevelanden om het persoonsgebonden budget (pgb) voor beschermd wonen stapsgewijs af te bouwen van 100% naar 0% over zes maanden.
De voorzieningenrechter beoordeelde of er sprake was van een spoedeisend belang dat een voorlopige voorziening rechtvaardigde. Verzoekers voerden aan dat de afbouw van het pgb zou leiden tot onvoldoende zorg en financiële problemen, omdat verzoekster zonder pgb geen inkomen heeft en daardoor zorg aan verzoeker niet meer kan verlenen.
De rechter oordeelde dat verzoekers niet aannemelijk maakten dat er een acute noodsituatie was. Verzoekster blijft zorg verlenen en is telefonisch bereikbaar, en er is geen bewijs dat de financiële situatie zodanig nijpend is dat onmiddellijke voorziening nodig is. Bovendien is een hoorzitting gepland en zal binnen korte tijd een beslissing op bezwaar volgen.
Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afbouw van het persoonsgebonden budget wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.