Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Inleiding
2.Feiten
3.Beoordeling door de rechtbank
‘Referentie 1 : [referentiewoning 1]’: “De prijs per m² is vastgesteld op € 2.234, iets lager dan de € 2.320 van het onderhavige object”.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning aan een adres te Tilburg, vastgesteld op €300.000 per 1 januari 2022, en tegen de daarop gebaseerde aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) voor 2023. De heffingsambtenaar handhaafde de waarde en de aanslag. De rechtbank behandelde het beroep op 13 februari 2025.
De woning betreft een tussenwoning uit 1988 met een gebruikersoppervlakte van 109 m2 en een perceel van 149 m2. De heffingsambtenaar baseerde de waardebepaling op een taxatiematrix met vergelijkingsmethode, waarbij drie referentiewoningen uit dezelfde plaats en bouwjaar werden gebruikt. De rechtbank achtte deze referentiewoningen voldoende vergelijkbaar en vond dat de heffingsambtenaar adequaat rekening hield met verschillen, zoals aanbouw, berging, ligging en voorzieningen.
Belanghebbende voerde aan dat onvoldoende rekening was gehouden met gedateerde voorzieningen, een ondergemiddeld duurzaamheidsniveau en lekkages aan dakgoten. De rechtbank oordeelde dat een neerwaartse correctie van €20.679 voor gedateerde voorzieningen was toegepast en dat het duurzaamheidsniveau was verdisconteerd in de referentiewoningen. De lekkages waren minimaal en onvoldoende onderbouwd om een waardevermindering te rechtvaardigen.
De rechtbank concludeerde dat de heffingsambtenaar zijn bewijslast had voldaan en dat de WOZ-waarde en aanslag OZB niet te hoog waren vastgesteld. Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor de aanslag blijft staan en belanghebbende geen griffierecht of proceskostenvergoeding ontvangt.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde en aanslag OZB wordt ongegrond verklaard en de aanslag blijft gehandhaafd.