De kinderrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 3 februari 2025 een beschikking gegeven in een zaak betreffende een verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige geboren in 2008. De minderjarige verblijft momenteel in een jeugdhulpaccommodatie en heeft een verstoorde relatie met zijn ouders, die geen zorg meer willen dragen en de noodzakelijke hulpverlening niet goedkeuren.
De kinderrechter oordeelt dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft omdat de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland is. Op grond van de wetgeving inzake ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing is vastgesteld dat er een ernstig vermoeden bestaat dat de minderjarige in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en dat de ouders de noodzakelijke zorg niet accepteren. De machtiging tot uithuisplaatsing is noodzakelijk om het verblijf en de begeleiding bij de jeugdhulpaanbieder te waarborgen.
Tijdens de mondelinge behandeling werd bevestigd dat de minderjarige het verblijf bij de jeugdhulpaanbieder wenst voort te zetten en geen contact wil met zijn ouders. De ouders zijn het niet eens met de plaatsing maar erkennen dat terugkeer naar huis momenteel niet mogelijk is. De bijzondere curator en de gecertificeerde instelling ondersteunen het verzoek, onderstrepende dat continuïteit en stabiliteit voor de minderjarige essentieel zijn.
De kinderrechter wijst het resterende deel van het verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing toe voor de periode van 7 februari 2025 tot 24 april 2025. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct van kracht is. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk binnen drie maanden, met uitzondering van de voorlopige ondertoezichtstelling waartegen geen gewoon rechtsmiddel openstaat.