ECLI:NL:RBZWB:2025:1496

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
11 maart 2025
Publicatiedatum
14 maart 2025
Zaaknummer
02-340535-23
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 530 SvArt. 534 lid 1 SvArt. 9a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning schadevergoeding voor kosten rechtsbijstand na sepot

Verzoeker diende op 11 juni 2024 een verzoekschrift in op grond van artikel 530 Sv Pro tot toekenning van een schadevergoeding wegens kosten rechtsbijstand en kosten verbonden aan het verzoekschrift. De zaak werd geseponeerd op 17 januari 2024. Verzoeker stelde dat hij de sepotbrief niet had ontvangen en dat hij onenigheid had met zijn toenmalige advocaat.

De officier van justitie stelde niet-ontvankelijkheid wegens niet-tijdige indiening van het verzoekschrift. De rechtbank constateerde dat het verzoekschrift niet binnen de wettelijke termijn van drie maanden na het sepot was ingediend, maar achtte de termijnoverschrijding verschoonbaar na toelichting van verzoeker.

De rechtbank oordeelde dat de zaak zonder strafoplegging was geëindigd en dat verzoeker recht had op vergoeding van de kosten rechtsbijstand van €1.900,01 en een forfaitaire vergoeding van €340,00 voor het indienen en behandelen van het verzoekschrift. Het totale bedrag van €2.240,01 wordt toegewezen en overgemaakt op de rekening van De Tomaso 2.0 B.V. De beslissing is genomen door rechter J.C. Gillesse op 11 maart 2025.

Uitkomst: Verzoek tot schadevergoeding voor kosten rechtsbijstand en behandeling verzoekschrift wordt toegewezen tot een bedrag van €2.240,01.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats Breda
parketnummer : 02-340535-23
raadkamernummer : 24-014491
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 530 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker],
geboren op [geboortedag] 2003 te [geboorteplaats],
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. E.M.J. Thomas, Chopinstraat 17, 4837 BD Breda,
hierna te noemen: de verzoeker.

1.De procedure

De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
 het op 11 juni 2024 bij de griffie ingediende verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding
ex artikel 530 van Pro het Wetboek van strafvordering(Sv) ten laste van de Staat voor een bedrag van:
  • € 1.900,01, voor vergoeding van kosten rechtsbijstand;
  • € 340,00 als forfaitaire vergoeding voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift dan wel € 680,00 bij behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
  • de kennisgeving sepot van 17 januari 2024;
  • de schriftelijke reactie van de officier van justitie;
  • de tussenbeslissing van de enkelvoudige raadkamer van 19 november 2024;
  • het proces-verbaal van de raadkamerbehandeling op 17 december 2024 en
  • de overige stukken in het raadkamerdossier.
Op 25 februari 2025 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. M. Nieuwenhuis en verzoeker gehoord.
De advocaat, mr. E.M.J. Thomas, is behoorlijk opgeroepen maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen.
Verzoeker heeft aangevoerd dat hij nimmer een brief van het Openbaar Ministerie heeft ontvangen. Verzoeker had onenigheid met zijn toenmalige advocaat mr. Arts. Pas halverwege maart 2024 heeft hij een e-mail van mr. Arts ontvangen met daarin de mededeling dat zijn zaak werd geseponeerd.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verzoeker niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu het verzoekschrift niet binnen de wettelijke termijn is ingediend. Uit het systeem van het Openbaar Ministerie blijkt dat er tijdig een sepotmelding naar het adres van verzoeker is gestuurd, waardoor dan ook geen reden tot twijfel bestaat dat de brief niet op de correcte wijze is verzonden.

2.De beoordeling

De rechtbank constateert dat het verzoek niet is ondertekend door verzoeker zelf. Dit gebrek is hersteld nu verzoeker ter zitting is verschenen.
De rechtbank constateert voorts dat het verzoekschrift niet is ingediend binnen drie maanden na het sepot. Verzoeker heeft ter zitting toegelicht waarom het verzoekschrift buiten de termijn is ingediend. Gelet op de nadere toelichting van verzoeker acht de rechtbank de termijnoverschrijding verschoonbaar.
De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen omdat de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank zou worden vervolgd.
Op grond van artikel 530 Sv Pro wordt aan een gewezen verdachte een vergoeding toegekend, tenzij de raadsman was toegevoegd.
Artikel 534 lid 1 Sv Pro bepaalt dat de toekenning van een schadevergoeding steeds plaatsheeft, als en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter gronden van billijkheid aanwezig zijn. Bij deze beoordeling worden alle omstandigheden in aanmerking genomen.
Het verzochte bedrag aan kosten van rechtsbijstand ter hoogte van
€ 1.900,01is in voldoende mate onderbouwd en komt de rechtbank billijk voor. De rechtbank zal dit bedrag toewijzen.
Voor de kosten verbonden aan de indiening van het verzoekschrift wordt het forfaitaire bedrag van
€ 340,00toegekend.

3.De beslissing

De rechtbank:
wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv Pro toe tot een bedrag van
€ 2.240,01, bestaande uit:
- € 1.900,01 aan kosten van rechtsbijstand;
- € 340,00 de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
wijst het verzoek voor het overige af;
bepaalt dat een bedrag van
€ 2.240,01zal worden overgemaakt op [rekeningnummer] ten name van De Tomaso 2.0 B.V., onder vermelding van “[verzoeker] 24-014491”.
Deze beslissing is op 11 maart 2025 genomen door mr. J.C. Gillesse, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.S.S. Fanis en mr. J. van Eekelen, griffiers, en is uitgesproken op de openbare zitting van 11 maart 2025.
Mr. Van Eekelen is niet in de gelegenheid deze beslissing mede te ondertekenen.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen de beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van de beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.