ECLI:NL:RBZWB:2025:1501

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
11 maart 2025
Publicatiedatum
14 maart 2025
Zaaknummer
02-358044-24
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 530 SvArt. 533 SvArt. 534 lid 1 SvArt. 9a Sr
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning gedeeltelijke schadevergoeding wegens onterechte inverzekeringstelling

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 25 februari 2025 het verzoek van een gewezen verdachte tot schadevergoeding wegens onterechte inverzekeringstelling en de kosten van het indienen en behandelen van het verzoekschrift. Verzoeker stelde dat hij op 9 november 2024 werd aangehouden en drie dagen in verzekering werd gesteld, terwijl het Openbaar Ministerie slechts twee dagen onterecht inverzekeringstelling erkende.

De rechtbank oordeelde dat de zaak zonder strafoplegging was geëindigd en dat verzoeker recht had op vergoeding op grond van artikel 533 van Pro het Wetboek van Strafvordering, omdat hij niet was veroordeeld. De rechtbank achtte gronden van billijkheid aanwezig om vergoeding toe te kennen voor twee dagen inverzekeringstelling, waarbij zowel de dag van aanvang als van invrijheidstelling als volledige dagen werden gerekend.

Daarnaast werd een forfaitaire vergoeding van €680 toegekend voor de kosten verbonden aan het opstellen en indienen van het verzoekschrift. Het verzoek tot vergoeding van overige kosten werd afgewezen. De totale toegekende vergoeding bedroeg €940, dat zal worden overgemaakt aan de gemachtigde advocaat van verzoeker.

Uitkomst: Verzoek tot schadevergoeding wegens onterechte inverzekeringstelling en kosten van verzoekschrift deels toegewezen voor een totaalbedrag van €940.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats Breda
parketnummer : 02-358044-24
raadkamernummer : 24-028416 & 24-028417
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op de verzoeken op grond van artikel 530 en Pro 533 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker],
geboren op [geboortedag] 2000 te [geboorteplaats],
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. T. van Riel, Postbus 1030, 4801 BA Breda,
hierna te noemen: de verzoeker.

1.De procedure

De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
 het op 13 november 2024 bij de griffie ingediende verzoek dat strekt tot toekenning van een vergoeding
ex artikel 533 van Pro het Wetboek van Strafvordering(Sv) ten laste van de Staat voor een bedrag van:
- € 390,00, € 390,00, voor schade wegens ondergane inverzekeringstelling;
 het op 13 november 2024 bij de griffie ingediende verzoek dat strekt tot toekenning van een vergoeding
ex artikel 530 Sv Proten laste van de Staat voor een bedrag van:
- € 340,00 € 340,00 als forfaitaire vergoeding voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift dan wel € 680,00 bij behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
  • de kennisgeving sepot van 11 november 2024;
  • de schriftelijke reactie van de officier van justitie;
  • de overige stukken in het raadkamerdossier.
Het verzoek is behandeld op 25 februari 2025. Hierbij zijn de officier van justitie mr. M. Nieuwenhuis en mr. T. van Riel als gemachtigd advocaat van verzoeker gehoord.
Verzoeker is behoorlijk opgeroepen maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen.
De advocaat van verzoeker heeft aangevoerd dat verzoeker stelt op 9 november 2024 te zijn aangehouden en vervolgens drie dagen in verzekering heeft doorgebracht.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verzoeker twee dagen onterecht in verzekering is gesteld. Verzoeker is op 10 november in verzekering gesteld. De kennisgeving sepot dateert van 11 november en het is dan ook logisch dat verzoeker diezelfde dag is heengezonden.

2.De beoordeling

De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen omdat de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank zou worden vervolgd.
Op grond van artikel 533 Sv Pro kan aan een gewezen verdachte een vergoeding van de schade die hij ten gevolge van ondergane verzekering, klinische observatie of voorlopige hechtenis heeft geleden worden toegekend. Voorwaarde hierbij is dat de zaak van de gewezen verdachte is geseponeerd of dat die verdachte niet is veroordeeld.
Op grond van artikel 530 Sv Pro wordt aan een gewezen verdachte een vergoeding toegekend, tenzij de raadsman was toegevoegd.
Artikel 534 lid 1 Sv Pro bepaalt dat de toekenning van een schadevergoeding steeds plaatsheeft, als en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter gronden van billijkheid aanwezig zijn. Bij deze beoordeling worden alle omstandigheden in aanmerking genomen.
De rechtbank acht gronden van billijkheid aanwezig om aan verzoeker een vergoeding toe te kennen voor de dagen die hij onterecht in verzekering heeft doorgebracht.
Bij het bepalen van het aantal dagen dat de verzoeker in een politiecel of huis van bewaring heeft doorgebracht, wordt zowel de dag waarop de inverzekeringstelling is aangevangen als de dag van de invrijheidstelling als een volledige dag vergoed. De tijd waarin verzoeker is opgehouden valt niet onder de inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis en komt daarmee niet in aanmerking voor een vergoeding op grond van artikel 533 Sv Pro.
De rechtbank stelt vast dat verzoeker
2 dagen in verzekeringheeft doorgebracht op het politiebureau. De LOVS-uitgangspunten gaan uit van een forfaitaire vergoeding van € 130,00 per dag voor het verblijf op het politiebureau. De rechtbank zal naar billijkheid een bedrag toekennen van
€ 260,00. De rechtbank wijst dit verzoek voor het overige af.
Voor de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van de verzoekschriften in raadkamer wordt het forfaitaire bedrag van
€ 680,00toegekend.

3.De beslissing

De rechtbank:
wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 533 Sv Pro toe tot een bedrag van
€ 260,00, bestaande uit de schade wegens ondergane inverzekeringstelling;
wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv Pro toe tot een bedrag van
€ 680,00, bestaande uit de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van de verzoekschriften in raadkamer;
wijst de verzoeken voor het overige af;
bepaalt dat een bedrag van
€ 940,00zal worden overgemaakt op [rekeningnummer] ten name van Stichting Beheer Derdengelden Van Loo Van Riel advocaten, onder vermelding van “[verzoeker]/OM”.
Deze beslissing is op 11 maart 2025 genomen door mr. J.C. Gillesse, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.S.S. Fanis en mr. J. van Eekelen, griffiers, en is uitgesproken op de openbare zitting van 11 maart 2025.
Mr. Van Eekelen is niet in de gelegenheid deze beslissing mede te ondertekenen.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen de beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van de beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.