ECLI:NL:RBZWB:2025:1504

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
11 maart 2025
Publicatiedatum
14 maart 2025
Zaaknummer
02-311473-24
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94 SvArt. 552a SvArt. 552d lid 2 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrondverklaring klaagschrift tegen strafvorderlijk beslag op iPhone wegens drugshandel

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 11 maart 2025 het klaagschrift van klager tegen het beslag op zijn iPhone, gelegd op grond van artikel 94 Sv Pro. Klager vorderde opheffing van het beslag en teruggave van het apparaat, stellende dat het belang van strafvordering zich niet verzet tegen teruggave en dat hij door het beslag wordt bezwaard. De officier van justitie stelde dat de iPhone bewijs bevat voor de handel in harddrugs.

Klager en zijn raadsman waren niet verschenen bij de behandeling, waardoor hun stellingen niet zijn weersproken. De rechtbank overwoog dat het onderzoek in raadkamer summier is en dat niet verwacht kan worden dat de rechter al inhoudelijk toetst aan de mogelijke uitkomst van de hoofdzaak. Uit het onderzoek blijkt dat de iPhone waarschijnlijk is gebruikt voor strafbare feiten.

Gezien het voortduren van het strafvorderlijk belang en het ontbreken van een onderbouwing van het nadeel voor klager, oordeelde de rechtbank dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de iPhone later verbeurd wordt verklaard. Daarom werd het klaagschrift ongegrond verklaard en het beslag gehandhaafd.

Uitkomst: Het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag op de iPhone wordt ongegrond verklaard en het beslag gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats Breda
parketnummer : 02-311473-24
raadkamernummer : 24-026670
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[klager],
geboren op [geboortedag] 2003 te [geboorteplaats],
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. M.C.F. Jansen, Postbus 4650, 4803 ER Breda,
hierna te noemen: de klager.

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
  • de kennisgeving van inbeslagneming op grond van artikel 94 Sv Pro, waaruit blijkt dat op
  • het klaagschrift op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), ingediend op 24 oktober 2024 ter griffie van deze rechtbank;
  • de reactie van de officier van justitie en
  • de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.
Op 25 februari 2025 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij is de officier van justitie mr. M. Nieuwenhuis gehoord.
Zowel de raadsman, mr. M.C.F. Jansen, als klager zijn behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het klaagschrift verschenen.
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag met last tot teruggave aan de klager. Daartoe is aangevoerd dat het belang van strafvordering zich niet verzet tegen de gevraagde teruggave. Klager wordt bezwaard door de inbeslagname en de voortduring daarvan.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte wordt vervolgd voor het bezit van en de handel in (hard)drugs. Op basis van de informatie uit de in beslag genomen telefoon kan het bewijs worden afgeleid voor die handel.

2.De beoordeling

De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift. Het klaagschrift is tijdig ingediend en klager is ontvankelijk in zijn beklag.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer een summier karakter heeft. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevraagd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv Pro als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, moet de rechter, bij een op grond van artikel 94 Sv Pro gelegd beslag:
a. beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee,
b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende van dat voorwerp moet worden beschouwd.
In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard.
Het beslag op de voorwerpen blijft gehandhaafd als er een strafvorderlijk belang is op grond van artikel 94 Sv Pro. Dat is het geval wanneer:
- de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voorwerp zal bevelen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen.
Uit de toelichting door de officier van justitie blijkt dat uit onderzoek aan de telefoon is gebleken dat de iPhone waarschijnlijk is gebruikt ten behoeve van het plegen van een strafbaar feit. Klager en zijn raadsvrouw zijn niet verschenen en hebben dit niet weersproken. Daarnaast zit klager nog in voorlopige hechtenis en is op geen enkele wijze uitgelegd op welke wijze klager wordt bezwaard door het voortduren van het beslag. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat niet hoogst onwaarschijnlijk is dat een rechter later oordelend tot verbeurdverklaring van de iPhone beslist. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het klaagschrift tegen het artikel 94 Sv Pro beslag ongegrond verklaren.

3.De beslissing

De rechtbank verklaart het klaagschrift ongegrond.
Deze beslissing is op 11 maart 2025 genomen door mr. J.C. Gillesse, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.S.S. Fanis en mr. J. van Eekelen, griffiers, en is uitgesproken op de openbare zitting van 11 maart 2025.
Mr. Van Eekelen is niet in de gelegenheid deze beslissing mede te ondertekenen.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing
beroep in cassatieworden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).