De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde het klaagschrift van de klager tegen het conservatoir beslag op een Audi A3 Sportback, gelegd op grond van artikel 94a Sv. De klager, die het leasebedrag van het voertuig blijft betalen en de leaseovereenkomst niet heeft ontbonden, vorderde de teruggave van het voertuig omdat hij dit nodig heeft voor zijn werkzaamheden.
Tijdens de raadkamerzitting waren de officier van justitie en de advocaat van klager aanwezig; klager zelf en de belanghebbende B.V. waren niet aanwezig. De officier van justitie stelde zich op het standpunt dat het klaagschrift gegrond verklaard kon worden en dat het voertuig aan klager teruggegeven kon worden.
De rechtbank oordeelde dat het onderzoek in raadkamer summier is en dat de rechter niet ten gronde hoeft te treden in de hoofdzaak. De toetsing betrof of er een redelijk vermoeden van schuld bestond en of het niet hoogst onwaarschijnlijk was dat een geldboete of ontnemingsmaatregel zou worden opgelegd. Gezien het ontbreken van strafvorderlijk belang bij voortduren van het beslag en het feit dat klager als rechthebbende kon worden aangemerkt, werd het klaagschrift gegrond verklaard.
De rechtbank gelastte de teruggave van het voertuig aan klager. Tegen deze beslissing staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden binnen veertien dagen na dagtekening respectievelijk betekening.