ECLI:NL:RBZWB:2025:1509

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
4 maart 2025
Publicatiedatum
14 maart 2025
Zaaknummer
25-002257
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 530 SvArt. 534 lid 1 SvArt. 9a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek schadevergoeding kosten rechtsbijstand na sepot wegens verduistering

De verzoekster diende op 15 november 2024 een verzoekschrift in tot vergoeding van kosten rechtsbijstand van €1.400,73, gemaakt vanwege een verdenking van verduistering. De zaak werd geseponeerd door het Openbaar Ministerie op 23 oktober 2024 vanwege gewijzigde omstandigheden.

Tijdens de raadkamerzitting op 18 februari 2025 werden verzoekster en de officier van justitie gehoord. Verzoekster stelde dat de kosten gemaakt moesten worden vanwege de verdenking tegen haar en haar partner. De officier van justitie betoogde dat geen vergoeding toegekend kon worden omdat de verdenking gegrond was en de kosten aan verzoekster zelf te wijten waren.

De rechtbank oordeelde dat de verdenking van verduistering terecht was, omdat verzoekster en haar partner goederen uit een vakantiehuis meenamen als onderpand voor het terugkrijgen van het verblijfsgeld. Hierdoor waren de kosten rechtsbijstand aan zichzelf te wijten. Gezien het beleidssepot en de omstandigheden achtte de rechtbank geen billijkheidsgrond voor vergoeding en wees het verzoek af.

Uitkomst: Het verzoek tot vergoeding van kosten rechtsbijstand wordt afgewezen omdat de kosten aan verzoekster zelf te wijten zijn.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats Middelburg
parketnummer : 02-336052-24
raadkamernummer : 25-002257
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 530 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[de verzoekster] ,
geboren op [geboortedag] 1969 te [geboorteplaats] ,
wonende op het [adres] ,
hierna te noemen: de verzoekster.

1.De procedure

De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
 het op 15 november 2024 bij de griffie ingediende verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding
ex artikel 530 van Pro het Wetboek van strafvordering(Sv) ten laste van de Staat voor een bedrag van:
- € 1.400,73, € 1.400,73, voor vergoeding van kosten rechtsbijstand;
  • de kennisgeving sepot van 23 oktober 2024;
  • de schriftelijke reactie van de officier van justitie;
  • de overige stukken in het raadkamerdossier.
Op 18 februari 2025 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. T.C.M. Hendriks en verzoekster gehoord.
Verzoekster heeft aangevoerd dat zij vanwege de gerezen verdenking tegen haar en haar partner een beroep moest doen op juridische bijstand waardoor bovengenoemde kosten zijn gemaakt. Verzocht wordt de vergoeding van deze kosten toe te wijzen.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen ruimte bestaat om tot toewijzing van de vordering te komen, omdat het gaat om een bewijsbaar strafbaar feit. Verzoekster en haar partner zijn niet ten onrechte als verdachten aangemerkt en hebben de kosten voor rechtskundige bijstand aan zichzelf te wijten.

2.De beoordelingDe zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen omdat de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank is vervolgd, zou worden vervolgd of voor het laatst werd vervolgd.
Op grond van artikel 530 Sv Pro kan een vergoeding voor de kosten van een raadsman worden toegekend, tenzij de raadsman was toegevoegd.
Artikel 534 lid 1 Sv Pro bepaalt dat de toekenning van een schadevergoeding steeds plaatsheeft, als en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter gronden van billijkheid aanwezig zijn. Bij deze beoordeling worden alle omstandigheden in aanmerking genomen.
Het Openbaar Ministerie is op 23 oktober 2024 overgegaan tot een beleidssepot vanwege inmiddels gewijzigde omstandigheden. In zo’n geval kunnen gronden van billijkheid voor toekenning van een vergoeding ontbreken als verzoeker de kosten aan zichzelf te wijten had.
Verzoekster werd verdacht van verduistering. Er is een aangifte waaruit volgt dat verzoekster en haar partner naar eigen zeggen goederen in onderpand uit een vakantiehuis hadden meegenomen omdat zij ontevreden waren over een defecte sauna. Met dit onderpand hoopten zij het totaalbedrag van het door hen geboekte verblijf terug te krijgen. Door het wegnemen van de goederen heeft de verzoekster de verdenking en de gemaakte kosten voor de rechtsbijstand aan zichzelf te wijten. De rechtbank acht geen gronden van billijkheid aanwezig om tot toewijzing van de kosten rechtsbijstand te komen. De rechtbank zal het verzochte bedrag aan kosten rechtsbijstand dan ook afwijzen.

3.De beslissing

De rechtbank wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding af.
Deze beslissing is op 4 maart 2025 genomen door mr. J.C. Gillesse, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.S.S. Fanis en mr. J. van Eekelen, griffiers, en is uitgesproken op de openbare zitting van 4 maart 2025.
Mr. Fanis en mr. Van Eekelen zijn niet in de gelegenheid deze beslissing mede te ondertekenen.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen de beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van de beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.