De verzoekster diende op 15 november 2024 een verzoekschrift in tot vergoeding van kosten rechtsbijstand van €1.400,73, gemaakt vanwege een verdenking van verduistering. De zaak werd geseponeerd door het Openbaar Ministerie op 23 oktober 2024 vanwege gewijzigde omstandigheden.
Tijdens de raadkamerzitting op 18 februari 2025 werden verzoekster en de officier van justitie gehoord. Verzoekster stelde dat de kosten gemaakt moesten worden vanwege de verdenking tegen haar en haar partner. De officier van justitie betoogde dat geen vergoeding toegekend kon worden omdat de verdenking gegrond was en de kosten aan verzoekster zelf te wijten waren.
De rechtbank oordeelde dat de verdenking van verduistering terecht was, omdat verzoekster en haar partner goederen uit een vakantiehuis meenamen als onderpand voor het terugkrijgen van het verblijfsgeld. Hierdoor waren de kosten rechtsbijstand aan zichzelf te wijten. Gezien het beleidssepot en de omstandigheden achtte de rechtbank geen billijkheidsgrond voor vergoeding en wees het verzoek af.