De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde een verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling tussen de man en zijn minderjarige kinderen, evenals een zelfstandig verzoek van de vrouw tot ontzegging van het omgangsrecht. De kinderen gaven aan geen contact met de man te willen, wat mede werd onderbouwd door een hulpverleningstraject (UHA) en adviezen van de Raad voor de Kinderbescherming.
Uit het UHA-traject en de adviezen blijkt dat de kinderen vermoedelijk lijden aan hechtingsproblemen en vroegkinderlijk trauma, waardoor zij gedragsproblemen vertonen en geen ruimte hebben voor contactherstel met de man. Het contactherstel dient langzaam te verlopen, maar een volgende stap is momenteel niet in hun belang. De man stuurt vier keer per jaar kaartjes aan de kinderen, wat wordt aangemoedigd om het contact op gepaste afstand te onderhouden.
De rechtbank oordeelt dat het vaststellen van een omgangsregeling nu niet in het belang van de kinderen is en dat het ontzeggen van het omgangsrecht niet passend is. De hulpverlening blijft betrokken om te monitoren of er in de toekomst ruimte ontstaat voor contactherstel. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij elke partij haar eigen kosten draagt.