ECLI:NL:RBZWB:2025:1536

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
5 maart 2025
Publicatiedatum
17 maart 2025
Zaaknummer
11321167 \ CV EXPL 24-3471
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Dijkman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Correctie kennelijke rekenfout in huurprijsverlagingsoverwegingen

In deze civiele procedure tussen Stichting Thuisvester en de gedaagde is een correctieverzoek ingediend vanwege een kennelijke rekenfout in het eerdere vonnis van 15 januari 2025. De gemachtigde van Thuisvester stelde dat de berekening van de huurprijsverlaging onjuist was en vroeg om correctie.

De gedaagde voerde aan dat ook het toegepaste percentage in de berekening onjuist was en dat het vonnis mogelijk anders geïnterpreteerd moest worden, waarbij twee gebreken samen 25% huurprijsvermindering rechtvaardigen en een laatste periode 5%.

De kantonrechter oordeelde dat er inderdaad sprake was van een kennelijke rekenfout die eenvoudig kon worden hersteld conform artikel 31 Rv Pro. De juiste berekening leidt tot een huurverlaging van €1.266,50 voor tien maanden en €94,99 voor drie maanden, samen €1.361,49. De uitleg van de gedaagde werd niet gevolgd omdat deze niet uit de tekst bleek.

Omdat de gedaagde geen terugbetaling van huur had gevorderd, kon dat bedrag niet worden toegewezen. Wel wordt de periode van huurverlaging verwerkt in de vaststelling van huurbedragen door Thuisvester. Het vonnis is op 5 maart 2025 gewezen door kantonrechter Dijkman.

Uitkomst: De kantonrechter corrigeert de kennelijke rekenfout en stelt de huurprijsverlaging vast op €1.361,49.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 11321167 \ CV EXPL 24-3471
Vonnis van 5 maart 2025
in de zaak van
STICHTING THUISVESTER,
gevestigd en kantoorhoudend te Oosterhout,
eisende partij,
hierna te noemen: Thuisvester,
gemachtigde: mr. H.M.H. van Dongen,
tegen
[gedaagde],
wonend te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis van 15 januari 2025 met de daarin genoemde stukken
- het bericht van 20 januari 2025 van de gemachtigde van Thuisvester
- de akte uitlating van 5 februari 2025 van [gedaagde] .

2.Het geschil en de beoordeling

2.1
De gemachtigde van Thuisvester heeft bij brief van 20 januari 2025 verzocht om verbetering van het vonnis van 15 januari 2025. Zij heeft daarvoor aangevoerd dat onder rechtsoverweging 5.19 van het vonnis is opgenomen (onder meer) :
“Met een geldende huurprijs op 1 mei 2023 van € 633,25 leidt dit tot het volgende: Over de periode 1 mei 2023 tot en tot 1 maart 2024, zijnde 10 maanden, heeft [gedaagde] recht op een huurverlaging van € 633,25 * 20% *10 = € 1.583,13.”Juiste toepassing van de rekensom/systematiek leidt volgens Thuisvester echter tot een ander bedrag, te weten € 1.266,50. Daarbij verzoekt zij dit als kennelijke verschrijving te corrigeren.
2.2
De wederpartij, [gedaagde] , heeft zich op de rolzitting van 5 februari 2025 over dit verzoek uitgelaten.
2.3
[gedaagde] heeft aangegeven dat volgens hem ook sprake is van een fout in rechtsoverweging 5.19, maar dan in het daarin genoemde percentage van 20%. Volgens hem kan in combinatie met wat in overweging 5.18 staat het vonnis zo worden uitgelegd dat de kantonrechter heeft bedoeld om voor twee gebreken in totaal 25% huurprijsvermindering toe te kennen en alleen over de laatste periode 5%. In dat geval is volgens [gedaagde] ook een schrijffout gemaakt in het kopje boven overweging 5.16 en in overweging 5.16 zelf.
2.4
De kantonrechter is van oordeel dat er sprake is van een kennelijke rekenfout die zich leent voor eenvoudig herstel zoals bedoeld in artikel 31 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Daarbij heeft de kantonrechter overwogen dat de juiste uitkomst van de berekening komt op een bedrag van € 1.266,50. Daarmee komt het totale bedrag aan huurverlaging ook op een ander bedrag, te weten € 1.361,49. De uitleg die wederpartij heeft gegeven aan overweging 5.18 valt niet uit de tekst op te maken en is zo ook niet bedoeld.
2.5
Beslist wordt als volgt.

3.De beslissing

De kantonrechter:
volhardt bij de inhoud van het tussen partijen op 15 januari 2025 gewezen vonnis met bovenvermeld zaaknummer, met dien verstande dat de in overweging 5.19 opgenomen tekst als volgt moet zijn:
5.19
Met een geldende huurprijs op 1 mei 2023 van € 633,25 leidt dit tot het volgende:
Over de periode 1 mei 2023 tot en tot 1 maart 2024, zijnde 10 maanden, heeft [gedaagde] recht op een huurverlaging van € 633,25 * 20% *10 = € 1.266,50.
Over de periode 1 maart tot 1 juni 2024, zijnde 3 maanden, heeft [gedaagde] recht op een huurverlaging van € 633,25 * 5% * 3 = € 94,99.
Het totaalbedrag aan huurverlaging waar [gedaagde] recht op heeft is daarmee € 1.361,49.
[gedaagde] heeft geen terugbetaling van huur gevorderd in deze procedure. Daarom kan de kantonrechter dat bedrag niet toewijzen. De periode waarover de huurverlaging wordt toegewezen, wordt wel verwerkt in de vordering van Thuisvester om bepaalde huurbedragen vast te stellen.
Dit vonnis is gewezen door mr. Dijkman en in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2025.