ECLI:NL:RBZWB:2025:1583

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 maart 2025
Publicatiedatum
19 maart 2025
Zaaknummer
11425269 CV EXPL 24 -265 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Rouwen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:265 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding huurovereenkomst en ontruiming wegens langdurige huurachterstand

De zaak betreft een huurovereenkomst tussen verhuurder en twee huurders, waarbij sprake is van een huurachterstand van meer dan drie maanden. Huurder 2 woont sinds oktober 2023 niet meer in de woning, maar heeft de overeenkomst niet opgezegd. Hierdoor blijft zij hoofdelijk aansprakelijk voor de huurachterstand.

De kantonrechter oordeelt dat de huurachterstand van € 11.247,55 tot en met november 2024, vermeerderd met wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten, moet worden betaald. De vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming wordt toegewezen, omdat de betalingsachterstand ernstig is en het woonbelang van de huurders onvoldoende weegt tegen het belang van de verhuurder.

Daarnaast worden de huurtermijnen vanaf december 2024 tot aan de ontruiming als gebruiksvergoeding toegewezen, evenals de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en de huurders moeten binnen veertien dagen na betekening de woning verlaten.

Uitkomst: De huurovereenkomst wordt ontbonden en beide huurders worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van de huurachterstand en ontruiming binnen veertien dagen.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 11425269 \ CV EXPL 24-4265
Vonnis van 12 maart 2025
in de zaak van
[verhuurder],
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [verhuurder] ,
gemachtigde: Gerechtsdeurwaarderskantoor Rosmalen,
tegen

1.[huurder 1] ,

te [plaats 2] ,
2.
[huurder 2],
te [plaats 2] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [huurders] en ieder afzonderlijk [huurder 1] en [huurder 2] .
beiden procederend in persoon.

1.De zaak in het kort

1.1.
[verhuurder] wil de huurovereenkomst met [huurder 1] en [huurder 2] ontbinden, omdat er een huurachterstand is van meer dan drie maanden. [huurders] erkent dat er een achterstand in de betalingen is. [huurder 2] wil niet betalen voor de huurachterstand, omdat zij sinds oktober 2023 niet meer woonachtig is in de woning en de achterstand daarna is ontstaan.
1.2.
De kantonrechter zal de vorderingen van [verhuurder] tegen [huurders] toewijzen en zal hieronder in het vonnis uitleggen waarom dat zo is.

2.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 18 december 2024
- de mondelinge behandeling van 6 februari 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- het op de mondelinge behandeling door [verhuurder] overgelegde overzicht met de huurachterstand tot 6 februari 2025.

3.De feiten

3.1.
Tussen [verhuurder] en [huurders] bestaat sinds 2 februari 2022 een huurovereenkomst met betrekking tot de woning aan [adres] . De huur bedroeg tot en met juni 2024 € 1.214,90 per maand en sinds juli 2024 € 1.277,59 per maand.
3.2.
Op de huurovereenkomst zijn de algemene bepalingen huurovereenkomst woonruimte van toepassing (hierna: algemene bepalingen). In artikel 22.3 van de algemene bepalingen is het volgende bepaald: “
Iemand die samen met een of meer anderen de huurovereenkomst met verhuurder is aangegaan en heeft ondertekend, zonder dat er sprake is van wettelijk medehuurderschap, verliest zijn huurderschap niet door het gehuurde definitief te verlaten. Ook dan blijft hij hoofdelijk aansprakelijk voor de verplichtingen uit de huurovereenkomst. Een contractuele medehuurder (samenhuurder) kan slechts samen met de andere huurder(s) de huurovereenkomst door opzegging beëindigen.
3.3.
De affectieve relatie tussen [huurder 1] en [huurder 2] is in 2023 verbroken. [huurder 2] heeft de woning in oktober 2023 verlaten. Sindsdien woont [huurder 1] in de woning.
3.4.
De huurtermijnen van voormelde woning zijn niet volledig voldaan, wat heeft geleid tot een huurachterstand van € 11.247,55 per 1 november 2024.
3.5.
Op 6 februari 2025 bedroeg de huurachterstand € 15.080,32.

4.Het geschil

4.1.
[verhuurder] vordert ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde, met veroordeling van [huurders] tot betaling van de huurachterstand van € 11.247,55 (tot en met november 2024), alsmede met de wettelijke rente hierover. Ook vordert [verhuurder] de huurprijs per huurperiode of zoveel hoger als bij een wettelijke huurverhoging is toegelaten, tot de datum van ontruiming. Verder vordert [verhuurder] een bedrag van € 825,05 aan buitengerechtelijke incassokosten en veroordeling van [huurders] in de proceskosten. [verhuurder] wil de mogelijkheid krijgen om het vonnis meteen uit te voeren, ook als er hoger beroep wordt ingesteld. [1]
4.2.
[huurder 1] erkent dat sprake is van een betalingsachterstand in de huur. Door persoonlijke problemen heeft hij de huur niet betaald. [huurder 1] heeft zich aangemeld bij de gemeente voor schuldhulpverlening om zijn financiën op orde te krijgen. Hij wil in de woning blijven wonen. Ook vindt [huurder 1] dat zijn ex partner [huurder 2] niet verantwoordelijk is voor de huurachterstand, omdat de achterstand is ontstaan nadat zij de woning heeft verlaten.
4.3.
[huurder 2] voert aan dat zij sinds oktober 2023 niet meer in de woning woont. [huurder 1] zou regelen dat zij niet meer als huurder stond ingeschreven op het contract, maar dit is nog steeds niet gebeurd. [huurder 2] erkent dat zij mede verantwoordelijk is voor de huurachterstand, maar vraagt rekening te houden met het feit dat zij al geruime tijd niet meer woonachtig is in de woning.

5.De beoordeling

Huurachterstand (tot en met november 2024) en rente
5.1.
Vaststaat dat [huurder 2] de huurovereenkomst niet heeft opgezegd. Uit artikel 22.3 van de algemene bepalingen volgt dat zij samen met [huurder 1] de huurovereenkomst ten aanzien van haar door opzegging had kunnen beëindigen. Nu zij dit niet hebben gedaan oordeelt de kantonrechter dat de huurovereenkomst tussen [huurder 2] en [verhuurder] niet is beëindigd. Daarom is zij met [huurder 1] hoofdelijk aansprakelijk gebleven voor de verplichtingen uit de huurovereenkomst. Omdat [huurders] de huurachterstand heeft erkend staat niet ter discussie dat die achterstand nog moet worden betaald. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [huurder 1] nog gesteld dat hij de huur van januari 2025 heeft betaald. Hij heeft echter niet met stukken onderbouwd dat die betaling is verricht. Hierover beslist de kantonrechter als volgt. Die betaling van januari 2025 is niet vast komen te staan, zodat het bedrag aan niet betaalde huurtermijnen van € 11.247,55 (tot en met november 2024) zal worden toegewezen. Als blijkt dat de betaling van januari 2025 toch niet is meegenomen in het overzicht met de huurachterstand tot 6 februari 2025 dient die betaling logischerwijs nog in mindering te strekken op de huurachterstand. Aangezien [huurders] in de betalingen van de huur een achterstand heeft, moet hij daarover ook de gevorderde wettelijke rente betalen. De gevorderde rente van € 191,54 berekend tot en met 14 november 2024 is toewijsbaar. Ook de wettelijke rente vanaf 14 november 2024 tot de dag van volledige betaling is toewijsbaar.
Ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning
5.2.
Met betrekking tot de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning, overweegt de kantonrechter als volgt. Op grond van de wet [2] geeft iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen aan de wederpartij, in geval van huur aan de kantonrechter, de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. De vraag die beantwoord dient te worden is of de tekortkoming van [huurders] die bestaat uit het niet betalen van de huurtermijnen zodanig ernstig is dat de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde gerechtvaardigd is.
5.3.
Vaststaat dat [huurders] sinds maart 2024 de huur niet meer heeft betaald. Op het moment van het uitbrengen van de dagvaarding was er een achterstand van negen maanden en de huurachterstand is tijdens de procedure opgelopen (tot twaalf maanden op het moment van de mondelinge behandeling). Van een tekortkoming van geringe betekenis is daarom geen sprake
.Het belang van [huurders] dient daarom te worden afgezet tegen het belang van [verhuurder] . Hoewel [huurders] omstandigheden heeft aangevoerd over het ontstaan van de achterstand, zijn dit geen omstandigheden die leiden tot een uitzonderingssituatie. Die omstandigheden blijven – hoe vervelend ook – voor rekening van [huurders] . Het is tenslotte de verantwoordelijkheid van [huurders] zelf om de nodige maatregelen te treffen om de huur (tijdig) te betalen ter voorkoming van nadelige gevolgen. Het (woon)belang van [huurders] legt dan ook onvoldoende gewicht in de schaal tegenover het belang van [verhuurder] bij een huurder die (tijdig) aan zijn betalingsverplichtingen voldoet. De conclusie luidt dan ook dat het woonbelang van [huurders] niet zwaarder weegt, zodat de vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde is gerechtvaardigd en zal worden toegewezen. Dit betekent dat [huurders] de woning moet verlaten.
Huurtermijnen vanaf december 2024 tot en met de ontruiming van de woning en rente
5.4.
[verhuurder] wil ook dat [huurders] wordt veroordeeld tot het betalen van de maandelijks huurprijs per huurperiode, of zoveel hoger als bij een wettelijke huurverhoging zou zijn toegelaten, vanaf de maand december 2024 tot het moment dat [huurders] de woning ontruimt. Dit is de huurprijs per maand en na het ontbinden van de huurovereenkomst is dit een gebruiksvergoeding voor de tijd dat [huurders] nog in de woning verblijft. [huurders] heeft deze vordering niet weersproken, zodat deze kan worden toegewezen. Dit geldt ook voor de wettelijke rente hierover.
Buitengerechtelijke incassokosten
5.5.
[verhuurder] maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten van € 825,05 (inclusief btw) komt overeen met het in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten bepaalde tarief en zal worden toegewezen.
Proceskosten
5.6.
[huurders] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [verhuurder] worden begroot op:
  • kosten van de dagvaarding € 138,91
  • griffierecht € 248,00
  • salaris gemachtigde € 812,00 (2,00 punten x € 406,00)
  • nakosten € 135,00 (plus de kosten van betekening
zoals vermeld in de beslissing)
------------------
Totaal: € 1.333,91

6.De beslissing

De kantonrechter
6.1.
ontbindt met ingang van de dag na heden de huurovereenkomst tussen partijen,
6.2.
veroordeelt [huurders] om het gehuurde binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis met al degenen die en al hetgeen dat zich daarin of daarop bevinden respectievelijk bevindt, volledig en behoorlijk te ontruimen en te verlaten en met afgifte van de sleutels in lege en behoorlijke staat ter vrije beschikking van [verhuurder] te stellen en vervolgens ontruimd te houden,
6.3.
Jannsen c.s. hoofdelijk, in die zin, dat wanneer de een betaalt, de ander (dat gedeelte) niet meer hoeft te betalen, om aan [verhuurder] te betalen:
een bedrag van € 12.264,14 (bestaande uit € 11.247,55 aan huurachterstand tot en met november 2024, de verschenen rente van € 191,54 tot en met 14 november 2024 en € 825,05 aan buitengerechtelijke incassokosten), te vermeerderen met de wettelijke rente over € 11.247,55, vanaf 15 november 2024 tot de dag van betaling,
de huurtermijnen ten bedrage van de huurprijs per huurperiode, daarbij een ingegane huurperiode voor een hele te rekenen, met ingang van december 2024 tot aan de ontbinding van de huurovereenkomst, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover te rekenen vanaf de eerste dag van de betreffende huurperiode tot de dag van betaling;
een schadevergoeding ten bedrage van de huidige huurprijs of zoveel hoger als bij een wettelijke huurverhoging zal zijn toegelaten, voor iedere aangevangen huurperiode, daarbij een ingegane huurperiode te rekenen voor een hele, die verschijnen ná ontbinding van de huurovereenkomst tot aan de dag van de ontruiming van het gehuurde, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover te rekenen vanaf de eerste dag van de betreffende huurperiode tot de dag van betaling;
e proceskosten van € 1.333,91, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [huurders] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Rouwen en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2025.

Voetnoten

1.Dit wordt “uitvoerbaar bij voorraad” genoemd.
2.artikel 6:265 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek