Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2019, waarbij de inspecteur het bezwaar niet-ontvankelijk verklaarde op grond van een vaststellingsovereenkomst (VSO) waarin afstand van bezwaar en beroep zou zijn gedaan.
De rechtbank oordeelt dat belanghebbende geen partij is bij de VSO en slechts voor een deel heeft meeondertekend, waardoor zij geen afstand heeft gedaan van haar recht op bezwaar en beroep. Het bezwaar is daarom ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.
De rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar en ziet voldoende grond om zelf inhoudelijk te beoordelen. De kern van het geschil betreft de hoogte van het box 2-inkomen. De rechtbank stelt vast dat het box 2-inkomen terecht is vastgesteld op € 32.500, de helft van het in de VSO afgesproken bedrag van € 65.000.
Verder oordeelt de rechtbank dat belanghebbende geen recht heeft op verrekening van een verlies uit 2013 of op een belastingkorting op grond van het kennisgroepstandpunt, omdat aan de voorwaarden niet is voldaan.
De aanslag en de belastingrentebeschikking blijven daarom in stand. Belanghebbende krijgt het betaalde griffierecht terug, maar geen proceskostenvergoeding.