De huurder van een bedrijfsruimte had een huurovereenkomst die liep tot 30 juni 2025. Na aankoop van het pand door eiseres in maart 2022 ontstond een huurachterstand doordat de huurder niet betaalde. Eiseres vorderde betaling van €35.000 aan huurachterstand en incassokosten, vermeerderd met wettelijke handelsrente vanaf 1 juli 2024.
De huurder verscheen niet op de mondelinge behandeling, waardoor de kantonrechter de stellingen van eiseres als onweersproken aannam. De huurder voerde verweer dat het vertrek van onderhuurders door toedoen van eiseres tot financiële problemen had geleid, maar dit werd niet bewezen.
De kantonrechter stelde vast dat de huurder de huurpenningen verschuldigd was en dat het aanbod van eiseres om de onderhuur voor eigen rekening te nemen was komen te vervallen. De vordering werd beperkt tot €35.000 en toegewezen met wettelijke rente en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.