ECLI:NL:RBZWB:2025:1670

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 maart 2025
Publicatiedatum
24 maart 2025
Zaaknummer
424620 / HA ZA 24-383 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Fleskens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BWArt. 6:119 BWArt. 6:101 BWArt. 68 lid 1 FwArt. 150 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Curator succesvol in vordering wegens onrechtmatig gebruik klantenbestand na faillissement transportonderneming

De curator van het faillissement van transportonderneming [B.V. 1] vordert een verklaring voor recht dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld door onjuist te communiceren over een vermeende overname van de activiteiten van [B.V. 1]. Op 23 februari 2024 stuurde [gedaagde] een e-mail naar klanten van [B.V. 1] waarin werd gesteld dat zij de activiteiten had overgenomen, terwijl dit niet het geval was. Dit gebeurde nadat het faillissement van [B.V. 1] was aangevraagd en de curator was benoemd.

De rechtbank stelt vast dat [gedaagde] zonder recht of titel gebruik heeft gemaakt van het klantenbestand van [B.V. 1] en onjuiste informatie heeft verspreid, wat een onrechtmatige daad oplevert. Door dit handelen is de curator verhinderd een doorstart te realiseren, wat heeft geleid tot een lagere opbrengst bij de veiling van activa en misgelopen goodwill. De curator heeft voldoende onderbouwd dat de gezamenlijke schuldeisers hierdoor zijn benadeeld.

De rechtbank weegt mee dat het klantenbestand al door [B.V. 1] zelf met derden was gedeeld en dat klanten vanwege het faillissement en het vertrek van een leidinggevende al waren vertrokken. Toch is vastgesteld dat het handelen van [gedaagde] voor 50% heeft bijgedragen aan de schade. De schadevergoeding wordt begroot op €17.784,95 plus wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten. De vordering wordt toegekend, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt [gedaagde] tot betaling van €17.784,95 schadevergoeding plus rente en incassokosten wegens onrechtmatig handelen.

Uitspraak

RECHTBANK Zeeland-West-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/424620 / HA ZA 24-383
Vonnis van 19 maart 2025
in de zaak van
MR. [de curator] in hoedanigheid van curator in het faillissement van de vennootschap [B.V. 1],
kantoorhoudend te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: de curator,
advocaat: mr. N.T.F. van Barschot,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde] B.V.,
statutair gevestigd te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. E.C.G. van Loon en mr. E. Evenblij.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
– het tussenvonnis van 11 september 2024 en de daarin genoemde stukken,
– de akte overlegging aanvullende producties 14 tot en met 19 van de curator,
– de akte aanvullende productie 6 van [gedaagde] ,
– de mondelinge behandeling van 14 januari 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
– de spreekaantekeningen van mr. N.T.F. van Barschot, zoals deze zijn overgelegd en
voorgedragen op de mondelinge behandeling,
– de spreekaantekeningen van mr. E.C.G. van Loon en mr. E. Evenblij, zoals deze zijn
overgelegd en voorgedragen op de mondelinge behandeling.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[B.V. 1] (hierna: [B.V. 1] ) was een vennootschap die een transportonderneming dreef. Bestuurder van deze vennootschap was de heer [bestuurder 1] (hierna: [bestuurder 1] ).
2.2.
In de ochtend van 23 februari 2024 heeft [B.V. 1] haar klanten een e-mail toegestuurd, waarin zij te kennen geeft dat zij met haar activiteiten stopt.
2.3.
In de middag van 23 februari 2024 hebben de heer [bestuurder 2] (hierna: [bestuurder 2] ) en de heer [bestuurder 3] (hierna: [bestuurder 3] ) een bezoek gebracht aan de bedrijfslocatie van [B.V. 1] . [bestuurder 2] is bestuurder en enig aandeelhouder van [gedaagde] . [bestuurder 3] is bestuurder van [B.V. 2] (hierna: [B.V. 2] ). Beide vennootschappen drijven een transportonderneming. [bestuurder 2] en [bestuurder 3] wilden met [bestuurder 1] in gesprek over een eventuele overname van de activiteiten van [B.V. 1] . Tijdens het gesprek heeft [bestuurder 1] hen te kennen gegeven dat [B.V. 1] haar faillissement had aangevraagd.
2.4.
Later die middag heeft [bestuurder 1] per e-mail de klantenlijst van [B.V. 1] naar [B.V. 2] gestuurd. [B.V. 2] heeft de klantenlijst van [B.V. 1] vervolgens doorgestuurd naar [gedaagde] .
2.5.
In de avond van 23 februari 2024 is in opdracht van [gedaagde] een e-mail naar alle klanten van [B.V. 1] als vermeld op de klantenlijst toegestuurd met – voor zover van belang – de navolgende inhoud:
“Beste,
(…)
We willen graag een belangrijke update binnen de transportsector met u delen. Met trots kondigen wij aan dat [gedaagde] onlangs de activiteiten van [B.V. 1] heeft overgenomen.
Dit betekent dat de vertrouwde transportdiensten van [B.V. 1] nu worden voortgezet onder de vlag van ons bedrijf”.
2.6.
Bij vonnis van 27 februari 2024 heeft deze rechtbank [B.V. 1] op eigen verzoek in staat van faillissement verklaard en mr. [de curator] benoemd tot curator.
2.7.
Na het faillissement van [B.V. 1] heeft de curator de mogelijkheid van een doorstart/overname van de transportonderneming van [B.V. 1] onderzocht. De curator heeft daarvoor potentiële kandidaten benaderd en is ook zelf benaderd door kandidaten die hun interesse toonden in een overname van de activiteiten van [B.V. 1] . Onder die laatsten [gedaagde] in de persoon van [bestuurder 2] . Op 28 februari 2024 heeft in dat kader een gesprek plaatsgevonden tussen de curator enerzijds en [bestuurder 2] , [bestuurder 3] en de heer [adviseur] (adviseur van [gedaagde] ) anderzijds.
2.8.
Op 1 maart 2024 heeft de heer [naam] (hierna: [naam] ), die ook bij de curator zijn interesse in een overname van de activiteiten van [B.V. 1] had getoond, de e-mail van [gedaagde] aan de klanten van [B.V. 1] van 23 februari 2024 aan de curator toegestuurd. De curator heeft daarop [bestuurder 2] verzocht om opheldering te verschaffen over de reden waarom [gedaagde] die e-mail had verstuurd. [bestuurder 2] heeft dat per e-mail aan de curator toegelicht. De curator heeft vervolgens de klanten van [B.V. 1] aangeschreven met de mededeling dat van een doorstart/overname van de activiteiten van [B.V. 1] door een doorstarter/overnemer geen sprake is.
2.9.
Op 21 maart 2024 heeft de curator [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor vermeend onrechtmatig handelen tegenover de boedel van [B.V. 1] en schadevergoeding van [gedaagde] gevorderd wegens een vermeend misgelopen goodwillvergoeding door de boedel van [B.V. 1] .
2.10.
Er heeft geen doorstart/overname van de transportonderneming van [B.V. 1] plaatsgevonden. De activa van [B.V. 1] , bestaande uit voertuigen en de inventaris, zijn geveild voor een bedrag van in totaal € 120.586,50.

3.Het geschil

3.1.
De curator vordert – samengevat – een verklaring voor recht dat [gedaagde] onrechtmatig tegenover de boedel van [B.V. 1] heeft gehandeld, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een schadevergoeding van
€ 93.800,-, althans een verwijzing naar de schadestaatprocedure, en een vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van € 1.713,-, beide bedragen vermeerderd met wettelijke rente.
3.2.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de curator dan wel tot afwijzing van de vordering van de curator, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de curator in de kosten van deze procedure, vermeerderd met wettelijke rente.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna bij de beoordeling, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De curator heeft een zogenaamde Peeters/Gatzen-vordering in de zin van het arrest van de Hoge Raad van 14 januari 1983 (ECLI:NL:HR:1983) ingesteld. Een dergelijke vordering kan de curator namens de gezamenlijke schuldeisers van de gefailleerde instellen op grond van de hem in artikel 68 lid 1 Fw Pro gegeven opdracht en wel als door een derde onrechtmatig is gehandeld tegenover de gezamenlijke schuldeisers van de gefailleerde en ten gevolge van dat onrechtmatig handelen de gezamenlijke schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden zijn benadeeld. Op de curator rust ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv Pro de stelplicht en bij voldoende betwisting de bewijslast voor feiten en omstandigheden die tot de conclusie leiden dat zich een dergelijke situatie in het onderhavige geval voordoet.
Onrechtmatig handelen
4.2.
De curator heeft met betrekking tot het onrechtmatig handelen van [gedaagde] het volgende gesteld.
[gedaagde] heeft bij e-mail van 23 februari 2024 de klanten van [B.V. 1] in strijd met de waarheid bericht dat de activiteiten van [B.V. 1] door [gedaagde] zijn overgenomen. Daarbij heeft [gedaagde] zonder recht of titel en zonder daarvoor enige vergoeding te betalen aan (de boedel van) [B.V. 1] gebruik gemaakt van het klantenbestand van [B.V. 1] . Ten tijde van het verzenden van de e-mail wist [gedaagde] dat [B.V. 1] haar faillissement had aangevraagd. [gedaagde] was op dat moment dus bekend met de belangen van de gezamenlijke schuldeisers van [B.V. 1] . [gedaagde] heeft die belangen welbewust en alleen voor eigen gewin geschonden. Door voornoemd onrechtmatig handelen is het de curator niet gelukt om een succesvolle doorstart/overname van de transportonderneming van [B.V. 1] te realiseren. Potentiële kandidaten waren niet geïnteresseerd in een doorstart/overname van de transportonderneming, althans niet bereid om daarvoor meer dan de liquidatiewaarde te bieden. Zij gaven aan dat de goodwill van [B.V. 1] voor hen van zeer beperkte waarde/nihil was, omdat het klantenbestand al in handen was van andere partijen. Zij waren op de hoogte van de e-mail van 23 februari 2024 van [gedaagde] aan de klanten van [B.V. 1] . De curator zag zich daarom genoodzaakt tot veiling van de activa over te gaan. Daardoor is de boedel van [B.V. 1] de waarde van de goodwill (in de vorm van het klantenbestand) misgelopen. Schuldeisers van [B.V. 1] kunnen zich daarop als executieobject dus niet verhalen. Zij zijn door het onrechtmatig handelen van [gedaagde] dus benadeeld.
4.3.
[gedaagde] betwist dat zij onrechtmatig heeft gehandeld. Van stelselmatig handelen en het op substantiële wijze afbreuk doen aan het duurzaam bedrijfsdebiet van [B.V. 1] door [gedaagde] , is geen sprake. Bovendien heeft [gedaagde] geen gebruik gemaakt van vertrouwelijke en/of specifieke kennis van [B.V. 1] . [gedaagde] betwist dat zij het de curator onmogelijk heeft gemaakt om een doorstart/overname te realiseren. Als de goodwill van [B.V. 1] een beperkte restwaarde had/nihil was, dan is dat niet te wijten aan [gedaagde] . Op 14 februari 2024 heeft de heer [leidinggevende] (hierna: [leidinggevende] ), op dat moment de feitelijk leidinggevende van [B.V. 1] , bij de klanten van [B.V. 1] aangekondigd dat hij bij [B.V. 1] vertrekt voor een nieuwe uitdaging binnen de transportwereld. Veel klanten zijn [leidinggevende] , de voor hen vertrouwde contactpersoon bij [B.V. 1] , gevolgd naar zijn nieuwe werkgever. Daarnaast heeft [B.V. 1] bij haar klanten aangekondigd te stoppen met haar activiteiten. In de transportsector gaan klanten direct op zoek naar een nieuwe transporteur als hun huidige transporteur niet langer in staat is hun goederen te vervoeren. Op het moment dat [gedaagde] de onderhavige e-mail van 23 februari 2024 verstuurde, waren de klanten van [B.V. 1] dus al vertrokken. Dat verklaart ook waarom bijna niemand op de e-mail van [gedaagde] heeft gereageerd. Verder was duidelijk dat [B.V. 1] failliet zou gaan, wat in het algemeen een negatief effect heeft op de goodwill, en heeft [B.V. 1] zelf haar klantenbestand met derden gedeeld, zoals met [B.V. 2] , [bedrijf 1] en [bedrijf 2] . Het klantenbestand van [B.V. 1] lag dus door eigen toedoen van [B.V. 1] al ‘op straat’, aldus [gedaagde] .
4.4.
[gedaagde] heeft niet weersproken dat zij zonder recht of titel gebruik heeft gemaakt van het klantenbestand van [B.V. 1] en dat zij in strijd met de waarheid de klanten van [B.V. 1] heeft bericht dat de activiteiten van [B.V. 1] door [gedaagde] zijn overgenomen. Hiermee heeft [gedaagde] naar het oordeel van de rechtbank inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van [B.V. 1] en gehandeld in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Dit levert een onrechtmatige daad op als bedoeld in artikel 6:162 BW Pro en dit handelen kan aan [gedaagde] worden toegerekend.
Benadeling?
4.5.
De vraag die vervolgens moet worden beantwoord is of de gezamenlijke schuldeisers van [B.V. 1] daadwerkelijk zijn benadeeld door het onrechtmatig handelen van [gedaagde] . De curator heeft daartoe gesteld dat er maar twee concrete biedingen zijn uitgebracht op de overname van de transportonderneming van [B.V. 1] , waaronder een bod van [naam] van € 100.000,- en een bod van [gedaagde] van € 85.750,-, en dat die twee biedingen onder de liquidatiewaarde lagen. De curator heeft gewezen op de e-mail van [naam] waaruit kan worden afgeleid dat [naam] niet meer wilde bieden dan € 100.000,- onder andere omdat voor hem de goodwill van zeer beperkte resterende waarde was, nu hem bekend was geworden dat meerdere partijen met het klantenbestand van [B.V. 1] ‘aan de haal waren gegaan’. Ter onderbouwing heeft [naam] op 1 maart 2024 de e-mail van [gedaagde] van 23 februari 2024 aan de curator gezonden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de curator daarmee voldoende gemotiveerd gesteld dat het versturen van de e-mail van 23 februari 2024 naar de klanten van [B.V. 1] er toe heeft bijgedragen dat derden niet meer bereid waren te betalen voor de goodwill van [B.V. 1] en dat de curator daardoor genoodzaakt was tot veiling van de activa over te gaan. [gedaagde] heeft deze stellingen naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd betwist. Dat de gezamenlijke schuldeisers van [B.V. 1] zijn benadeeld door de onrechtmatige gedraging van [gedaagde] staat daarmee vast.
Omvang schade
4.6.
Resteert de vraag naar de omvang van de door deze onrechtmatige gedraging geleden schade. Ter vaststelling van de schade moet een vergelijking worden gemaakt tussen de vermogenspositie zoals die nu is en de vermogenspositie zoals die zou zijn als de onrechtmatige gedraging niet zou hebben plaatsgevonden. De curator stelt dat in dat laatste geval de goodwill (in de vorm van het klantenbestand) zou zijn achtergebleven in de onderneming van [B.V. 1] en dat daarom de hoogte van de geleden schade moet worden begroot op basis van de waarde van de goodwill. Deze kan volgens de curator worden berekend aan de hand van het gemiddelde rendement van de transportonderneming van [B.V. 1] over vijf boekjaren voorafgaand aan het faillissement van [B.V. 1] , zoals zichtbaar in de EBITDA (Earnings Before Interest, Taxes, Depreciation and Amortization). Dit staat tussen partijen in zoverre niet ter discussie. Dat, zoals [gedaagde] betoogt, de EBITDA feitelijk op € 0,- moet worden gesteld vanwege het faillissement van [B.V. 1] , volgt de rechtbank niet. De curator heeft met het overleggen van het rapport van Witlox VCS het tegendeel voldoende onderbouwd.
4.7.
De curator neemt voor de berekening de boekjaren 2018 tot en met 2022 van [B.V. 1] als uitgangspunt. [gedaagde] heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd. Zij geeft aan dat juist 2023 een slecht jaar was voor [B.V. 1] hetgeen van invloed is geweest op de waarde van de onderneming. Volgens [gedaagde] moet voor de berekening boekjaar 2023 worden meegenomen. De rechtbank volgt [gedaagde] hierin. De stelling van de curator dat het hier nog om conceptcijfers gaat en dat deze daarom niet representatief zijn, volgt de rechtbank niet. Naar eigen zeggen van de curator heeft de boekhouder de betreffende cijfers voor [bestuurder 1] opgesteld in het kader van een mogelijke doorstart/overname van de transportonderneming voorafgaand aan het faillissement van [B.V. 1] . Dat deze cijfers niet juist zijn, is niet gesteld en daarvan is ook niet gebleken. Dat de cijfers van 2023 niet representatief zijn, kan daarom niet worden aangenomen. Voor een zuiver beeld van het gemiddelde rendement van de transportonderneming van [B.V. 1] voorafgaand aan haar faillissement moeten deze cijfers naar het oordeel van de rechtbank dan ook in de berekening worden meegenomen.
4.8.
Nu de curator zelf de EBITDA heeft berekend aan de hand van het
gemiddelde genormaliseerderendement van de onderneming over
vijfboekjaren voorafgaand aan het faillissement, zal de rechtbank deze uitgangspunten aanhouden voor het bepalen van waarde van de goodwill van [B.V. 1] . Uitgaande van het niet, danwel onvoldoende weersproken rapport van Witlox (productie 14 van de zijde van de curator) moet de gemiddelde EBITDA over de periode 2019-2023 worden vastgesteld op € 62.396,-. Daarop strekt volgens de curator 10% in mindering in verband met de onzekerheid die met een faillissement gepaard gaat. Geconcludeerd wordt daarom dat de waarde van de goodwill
€ 56.156,40 bedroeg. Volgens de curator was het de bedoeling om een packagedeal te sluiten, waarbij zowel de activa als de goodwill van [B.V. 1] werden overgenomen. Het hoogste bod was van [naam] en bedroeg € 100.000,- voor de overname van de activa en de goodwill waarbij door [naam] werd aangegeven dat hij eigenlijk niets over had voor de goodwill, omdat het klantenbestand al “op straat lag”. Gelet op de hiervoor genoemde waarde van de goodwill zal de rechtbank ervan uit gaan dat de curator in totaal € 156.156,40 voor een packagedeal zou hebben kunnen ontvangen (de geboden € 100.000,= vermeerderd met de goodwill van € 56.156,40). Vaststaat dat de veilingopbrengst van de activa € 120.586,50 heeft opgebracht. De rechtbank begroot de door de boedel van [B.V. 1] misgelopen goodwillvergoeding daarom op een bedrag van
€ 35.569,90(€ 156.156,40 minus € 120.586,50).
Causaal verband
4.9.
[gedaagde] heeft een beroep gedaan op eigen schuld als bedoeld in artikel 6:101 BW Pro. [gedaagde] stelt dat [B.V. 1] voorafgaand aan het versturen van de onderhavige e-mail van 23 februari 2024 door [gedaagde] , haar klanten al te kennen had gegeven dat zij ging stoppen met haar activiteiten en dat zij op eigen initiatief haar klantenbestand naar derden had gestuurd. [gedaagde] stelt dat [B.V. 1] , die haar faillissement had aangevraagd, wist of behoorde te weten dat dit handelen zou kunnen lijden tot schade voor de boedel.
4.10.
Nu de curator de vordering tegen [gedaagde] heeft ingesteld namens de gezamenlijke schuldeisers, kan niet worden gesproken van eigen schuld. De rechtbank begrijpt dat [gedaagde] zich op het standpunt stelt dat het mislopen van de goodwillvergoeding ook een gevolg is van het handelen van [B.V. 1] en dat de schade daarom niet alleen is veroorzaakt door het handelen van [gedaagde] . Daarin kan [gedaagde] worden gevolgd. Naar eigen zeggen van de curator veranderde het klantenbestand van [B.V. 1] steeds door de aard van de business (sneltransport). Mede gelet hierop, kan worden aangenomen dat – zoals [gedaagde] stelt en de curator overigens niet heeft weersproken – klanten direct op zoek gaan naar een nieuwe transporteur als hun huidige transporteur aankondigt te stoppen met haar activiteiten. In het onderhavige geval heeft [B.V. 1] voor het uitspreken van het faillissement de klanten al bericht dat ze ging stoppen. Verder staat als niet weersproken vast dat [B.V. 1] haar klantenbestand (in ieder geval) met [B.V. 2] heeft gedeeld. [B.V. 1] heeft dus zelf de mogelijkheid gecreëerd dat derden met haar klantenbestand aan de haal zouden kunnen gaan. Uit de e-mail van [naam] blijkt ook dat hij niet voor de goodwill wilde betalen, omdat het klantenbestand al op straat lag. Ter onderbouwing heeft hij de e-mail die is gestuurd door [gedaagde] aan de curator gestuurd. Al deze omstandigheden samen hebben ervoor gezorgd dat derden niet meer voor de goodwill wilden betalen. Dat dit enkel door de e-mail van [gedaagde] is gekomen, is niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank zal daarom bepalen dat 50% van de hiervoor genoemde misgelopen goodwillvergoeding het resultaat is van het handelen van [gedaagde] . [gedaagde] heeft immers, nadat zij het klantenbestand in handen had gekregen, daadwekelijk de klanten benaderd en aangegeven dat zij de activiteiten ging overnemen, terwijl dit helemaal niet waar was. Dit brengt met zich dat de vordering van de curator zal worden toegewezen tot een bedrag van €17.784,95, zijnde 50 % van € 35.569,90. De rechtbank zal de gevorderde verklaring voor recht toewijzen in die zin dat zal worden toegewezen dat onrechtmatig is gehandeld jegens de gezamenlijke crediteuren van de boedel. Uit de stellingen van de curator ter zitting komt duidelijk naar voren dat de vordering van de curator op die manier moet worden begrepen.
rente en kosten
4.11.
De verschuldigdheid van wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toe te wijzen bedrag van € 17.784,95 vanaf 23 februari 2024 is niet weersproken en zal daarom worden toegewezen.
4.12.
De curator maakt verder aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De rechtbank stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is, omdat het verzuim na 1 juli 2012 is ingetreden. De curator heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht. De rechtbank zal het bedrag toewijzen tot het wettelijk tarief, zijnde een bedrag van € 1.152,95 (inclusief BTW). De gevorderde wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dit bedrag vanaf 4 juli 2024, zal als niet weersproken worden toegewezen.
4.13.
De gevorderde uitvoerbaar bij voorraadverklaring zal als niet weersproken worden toegewezen als vermeld in de beslissing.
4.14.
[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten). Deze kosten worden begroot op:
- dagvaarding € 138,82
- griffierecht € 1.325,-
- salaris advocaat € 1.228,- (2 punten x € 614,-)
- nakosten
€ 178,-(plus de verhoging als vermeld in de beslissing)
Totaal € 2.869,82

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
verklaart voor recht dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de gezamenlijke crediteuren van de gefailleerde vennootschap [B.V. 1] ,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de curator te betalen een bedrag van € 17.784,95 , te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dit bedrag vanaf 23 februari 2024 tot de dag van algehele voldoening,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan de curator van een bedrag van € 1.152,95 met betrekking tot buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dit bedrag vanaf 4 juli 2024 tot de dag van algehele voldoening,
5.4.
verklaart dit vonnis voor wat betreft voornoemde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.869,82, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Fleskens en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2025.