ECLI:NL:RBZWB:2025:1674
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Rekestprocedure
- Hopmans
- Rechtspraak.nl
Toewijzing voorlopige bijdrage in kosten verzorging en opvoeding minderjarige kinderen
In deze zaak verzocht de man om een voorlopige voorziening op grond van artikel 821 Rv Pro, waarbij de vrouw een bijdrage zou leveren in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. De procedure betrof een lopende echtscheidingsprocedure en werd behandeld door de rechtbank Zeeland-West-Brabant.
Tijdens de mondelinge behandeling op 20 januari 2025 bereikten partijen overeenstemming over de voorlopige bijdrage. De totale behoefte van de minderjarigen in 2024 werd vastgesteld op €1.390 per maand. Partijen kwamen overeen dat de vrouw vanaf 1 januari 2025 een bedrag van €213 per kind per maand vooruitbetaalt, met inachtneming van betaling van de reeds verstreken termijnen.
De rechtbank achtte deze overeenkomst niet onrechtmatig of ongegrond en wees de voorlopige voorziening toe conform de gemaakte afspraken. Partijen behouden zich alle rechten voor in de bodemprocedure, met uitzondering van het onderdeel behoefte. De beschikking werd op 4 februari 2025 in het openbaar uitgesproken door rechter Hopmans.
Uitkomst: De vrouw moet vanaf 1 januari 2025 maandelijks €213 per kind betalen als voorlopige bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding.