Uitspraak
1.Het procesverloop
2.De feiten
3.Het verzoek
4.Het standpunt van de GI
5.Het standpunt van belanghebbende en het advies van de Raad
6.De beoordeling
7.De beslissing
’s-Hertogenbosch
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 21 maart 2025 besloten tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2021, die sinds november 2024 verblijft bij een perspectiefbiedend pleeggezin. De moeder, belast met het ouderlijk gezag, kampt met ernstige persoonlijke problematiek, waaronder trauma-gerelateerde klachten en een sociaal isolement, waardoor zij onvoldoende in staat is de zorg en opvoeding van de minderjarige op zich te nemen.
De gecertificeerde instelling (GI) verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing met een jaar, tot 28 maart 2026. De moeder was afwezig bij de mondelinge behandeling en gaf geen schriftelijke reactie. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde toewijzing van het verzoek. De rechtbank oordeelde dat de Nederlandse rechter internationaal bevoegd is op grond van Brussel II-ter en dat Nederlands recht van toepassing is.
De rechtbank stelde vast dat de minderjarige ernstig wordt bedreigd in haar ontwikkeling door verwaarlozing en mishandeling in het verleden, en dat de moeder onvoldoende kan aansluiten bij de behoeften van het kind. De huidige plaatsing bij het pleeggezin is in het belang van de minderjarige en dient voortgezet te worden. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige tot 28 maart 2026 en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.