De zaak betreft een wrakingsverzoek van verzoeker gericht tegen de wrakingskamer van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant. Verzoeker had eerder wrakingsverzoeken ingediend die op 18 maart 2025 door de wrakingskamer zijn behandeld en besloten. Op diezelfde dag ontving verzoeker de beslissing per e-mail.
Het nieuwe wrakingsverzoek werd op 18 maart 2025 om 16:39 uur ingediend, nadat de wrakingskamer haar beslissing al had verzonden om 14:35 uur. Volgens vaste jurisprudentie en het wrakingsprotocol moet een wrakingsverzoek worden ingediend voordat de behandeling van de zaak door het wijzen van een einduitspraak is geëindigd.
De wrakingskamer stelde vast dat er ten tijde van het nieuwe verzoek geen behandelende rechters meer waren in de zin van de wet en het wrakingsprotocol. Daarom voldoet het verzoek niet aan de formele vereisten en werd verzoeker kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. De wrakingskamer zag af van een mondelinge behandeling en sprak de beschikking uit op 24 maart 2025.