Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beslissing
de officier van justitie niet ontvankelijk in de vervolgingvan verdachte.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De zaak betreft verdachte en een medeverdachte B.V. die worden verdacht van medeplegen van valsheid in de bedrijfsadministratie, het niet correct heffen van accijns op alcoholhoudende drank en witwassen van een bedrag van €111.650.
Na een regiezitting en onderzoek met getuigenverklaringen is een transactieaanbod ex artikel 74 Wetboek Pro van Strafrecht gedaan en geaccepteerd door verdachte en de medeverdachte B.V. Dit aanbod hield in dat zij afstand deden van €113.950 ten behoeve van de Staat en dat verdachte een taakstraf van 60 uur zou uitvoeren. Deze voorwaarden zijn door verdachte vrijwillig nagekomen.
De rechtbank stelt vast dat ondanks dat het transactieaanbod werd gedaan terwijl de zaak onder de rechter was, verdachte belang heeft bij deze afdoening en dat de samenleving gebaat is bij een passende afwikkeling die de rechtspraak niet onnodig belast.
Omdat verdachte heeft voldaan aan de voorwaarden en het Openbaar Ministerie zelf niet-ontvankelijkheid verzoekt, oordeelt de rechtbank dat het strafvorderlijk belang bij voortzetting van de vervolging ontbreekt en verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging wegens uitvoering van het transactieaanbod door verdachte.