ECLI:NL:RBZWB:2025:1806
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen WOZ-waarde woning en aanslag rioolheffing gebruiker
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning en de daarbij behorende aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) en rioolheffing gebruiker voor het jaar 2023. De heffingsambtenaar had de WOZ-waarde vastgesteld op €1.372.000 en de aanslagen opgelegd. De rechtbank heeft het beroep op 24 januari 2025 behandeld en partijen gelegenheid gegeven aanvullende informatie te verstrekken.
De rechtbank oordeelde dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld. De waarde was bepaald met de vergelijkingsmethode aan de hand van vier referentiewoningen die rondom de waardepeildatum waren verkocht. De heffingsambtenaar had inzichtelijk gemaakt hoe rekening was gehouden met onderlinge verschillen. De door belanghebbende aangevoerde vergelijking met een andere woning was niet relevant omdat WOZ-waarden van andere woningen geen concrete verkoopcijfers zijn.
Ten aanzien van de rioolheffing gebruiker stelde belanghebbende dat het waterverbruik hoger was dan gebruikelijk vanwege te lage schattingen van eerdere verbruiksperiodes. De rechtbank vond echter dat de schattingen in lijn waren met gemeten verbruiken in voorgaande en volgende jaren en dat het verbruik van 630 m³ juist was vastgesteld. De aanslag rioolheffing was daarom correct opgelegd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, handhaafde de WOZ-waarde, de aanslag OZB en de aanslag rioolheffing gebruiker. Belanghebbende kreeg geen vergoeding van het griffierecht. De uitspraak werd gedaan door rechter Broeders op 28 maart 2025.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde en de aanslag rioolheffing gebruiker wordt ongegrond verklaard en de aanslagen blijven gehandhaafd.