De man en vrouw, gezamenlijk ouderlijk gezag dragend over hun minderjarige dochter, zijn gescheiden en hebben een co-ouderschapsregeling. De vader wenst met de dochter van 20 april tot 1 mei 2025 naar Turkije te reizen, maar de moeder weigert toestemming vanwege zorgen over zijn zorgcapaciteiten en communicatie.
De rechtbank oordeelt dat de moeder onvoldoende feiten aanvoert om de verzorgingscapaciteiten van de vader in twijfel te trekken. De Raad voor de Kinderbescherming adviseert geen bezwaar tegen de vakantie, maar wel verbetering van communicatie.
Op grond van artikel 1:253a BW verleent de rechtbank vervangende toestemming voor de vakantie en beveelt de moeder het paspoort af te geven. De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.