De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om een ondertoezichtstelling van de minderjarige voor de duur van een jaar en een machtiging tot uithuisplaatsing voor zes maanden. De minderjarige vertoont gedragsproblemen en groeit op in een onveilige en instabiele thuissituatie bij de moeder, die beperkte draagkracht heeft vanwege eigen problematiek. De ouders communiceren nauwelijks, waardoor zicht op de rol van de vader ontbreekt.
De moeder werkt onvoldoende mee aan hulpverlening en heeft moeite met het accepteren van ondersteuning, met name rond het contact tussen de vader en de minderjarige. De minderjarige verblijft sinds oktober 2024 bij een behandelgroep waar hij rust, structuur en veiligheid ervaart. De kinderrechter acht een ondertoezichtstelling noodzakelijk om passende hulpverlening te organiseren en de situatie van beide ouders te onderzoeken.
De machtiging tot uithuisplaatsing wordt verleend om de stabiele plaatsing bij de behandelgroep te waarborgen en verdere gedragsverklaringen te onderzoeken. De kinderrechter benadrukt dat het doel is de minderjarige uiteindelijk te herenigen met de gezaghebbende ouder(s), mits de situatie verbetert. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden worden aangevochten.