ECLI:NL:RBZWB:2025:1848
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen NiNbi-beschikking over pensioen en AOW 2020
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de NiNbi-beschikking van de inspecteur over het jaar 2020, waarin het niet in Nederland belastbare inkomen was vastgesteld op een negatief bedrag van €957. Dit betrof het verschil tussen het wereldinkomen van €39.042 en het in Nederland belastbare inkomen van €39.042, waarbij aftrek zorgkosten was betrokken.
De rechtbank stelde vast dat belanghebbende alleen inkomen had dat in Nederland belast werd, namelijk een ouderdomspensioen van het ABP en een AOW-uitkering. De inspecteur had bij de NiNbi-beschikking de aftrek zorgkosten meegenomen, terwijl dit bij de aanslag IB/PVV niet was gebeurd. Dit leidde tot een negatieve NiNbi-beschikking, maar belanghebbende was hierdoor niet slechter af dan bij een NiNbi-beschikking van nul.
De rechtbank nam kennis van het feit dat er een uitspraak op bezwaar was gedaan over de aanslag IB/PVV, maar beschikte daar niet over. Gezien de gegevens achtte de rechtbank het onwaarschijnlijk dat het niet in Nederland belastbare inkomen lager zou worden vastgesteld dan bij de NiNbi-beschikking.
Op grond van deze overwegingen verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond, waardoor de NiNbi-beschikking blijft bestaan. Belanghebbende krijgt geen griffierecht terug en er is geen aanleiding voor proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de NiNbi-beschikking wordt ongegrond verklaard en de beschikking blijft van kracht.