ECLI:NL:RBZWB:2025:1852

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
1 april 2025
Publicatiedatum
1 april 2025
Zaaknummer
BRE 24/4428 tot en met BRE 24/4430, BRE 24/4432 en BRE 24/4433
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16, eerste lid, AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Navordering inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen wegens nieuw feit pensioenuitkeringen

Belanghebbende, enig aandeelhouder van een besloten vennootschap, ontving vanaf 2013 pensioenuitkeringen die vanaf 2017 niet meer werden aangegeven in haar IB/PVV-aangiften. De inspecteur legde navorderingsaanslagen op voor de jaren 2017 tot en met 2021, inclusief belastingrente, omdat informatie van de inspecteur vennootschapsbelasting een nieuw feit vormde dat navordering rechtvaardigde.

Belanghebbende voerde aan dat de inspecteur zijn onderzoeksplicht had geschonden door niet eerder vragen te stellen over de pensioenuitkeringen. De rechtbank oordeelde echter dat de inspecteur mocht uitgaan van de juistheid van de aangiften en niet verplicht was nader onderzoek te doen zonder concrete aanleiding tot twijfel.

De rechtbank stelde vast dat er geen sprake was van ambtelijk verzuim en dat de informatie uit de vennootschapsbelastinginspectie een nieuw feit vormde. Hierdoor waren de navorderingsaanslagen terecht opgelegd. Ook de belastingrentebeschikkingen bleven in stand, aangezien daartegen geen inhoudelijke bezwaren waren ingebracht.

De beroepen van belanghebbende werden ongegrond verklaard, waardoor de aanslagen en belastingrente gehandhaafd blijven. Belanghebbende krijgt geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug.

Uitkomst: De navorderingsaanslagen IB/PVV 2017-2021 en de belastingrentebeschikkingen blijven in stand; beroepen ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingecht
zaaknummers: BRE 24/4428 tot en met BRE 24/4430, BRE 24/4432 en BRE 24/4433

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 april 2025 in de zaken tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 2 april 2024.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor de jaren 2017 tot en met 2021 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd en daarbij belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikkingen).
1.2.
De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft de beroepen op 18 maart 2025 gelijktijdig op zitting behandeld. Hieraan hebben belanghebbende, gemachtigde en de inspecteur deelgenomen. Namens de inspecteur zijn [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 2017 tot en met 2021 terecht zijn opgelegd. Daarbij komt de vraag aan bod of de inspecteur bevoegd was tot navordering wegens de aanwezigheid van een nieuw feit. Indien sprake is van een nieuw feit, is tussen partijen niet in geschil dat de navorderingsaanslagen juist zijn.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur over een nieuw feit beschikte dat navordering over de jaren 2017 tot en met 2021 rechtvaardigt. Dit betekent dat de inspecteur de navorderingsaanslagen terecht heeft opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. Belanghebbende is sinds het overlijden van haar echtgenoot in 2002 enig aandeelhouder van [B.V.] . Zij had een schuld aan de [B.V.] van ongeveer € 408.814.
3.1.
In het verleden heeft de [B.V.] een pensioenvoorziening gevormd. Door het overlijden van haar echtgenoot kreeg belanghebbende recht op een weduwenpensioen. Vanaf 2013 heeft belanghebbende pensioenuitkeringen van de [B.V.] ontvangen. Vanaf augustus 2016 heeft belanghebbende vanwege liquiditeitsproblemen bij de [B.V.] geen pensioenuitkeringen meer ontvangen. De [B.V.] heeft ook afdracht van de loonheffing en premies inzake het pensioen in 2017 stopgezet.
3.2.
Belanghebbende heeft aangiften IB/PVV over de jaren 2017 tot en met 2021 ingediend. In deze aangiften zijn geen pensioenuitkeringen aangegeven.
3.3.
De inspecteur heeft de aanslagen IB/PVV 2017 tot en met 2021 in overeenstemming met de ingediende aangiften opgelegd.
3.4.
De inspecteur die belast is met de heffing van vennootschapsbelasting heeft op 5 juli 2022 informatie opgevraagd in verband met de aangiften vennootschapsbelasting van de [B.V.] over jaren 2018 en 2019. Namens de [B.V.] is vervolgens verzocht om vooroverleg over een mogelijke vrijval van de pensioenvoorziening. De inspecteur heeft het verzoek afgewezen omdat naar zijn mening het pensioen verrekend kan worden met de rekeningcourantvordering van de vennootschap op belanghebbende en dus tot het bedrag van de rekeningcourantvordering voor verwezenlijking vatbaar is.
3.5.
Met dagtekening 22 juli 2023 heeft de inspecteur de navorderingsaanslagen IB/PVV 2017 tot en met 2021 opgelegd. Daarbij zijn de pensioenuitkeringen waar belanghebbende recht op heeft, alsnog in de heffing betrokken.

Motivering

4. De inspecteur kan te weinig geheven belasting navorderen, wanneer enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag op een te laag bedrag is vastgesteld. [1] Een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren. Dit is alleen anders wanneer sprake is van kwade trouw bij de belastingplichtige voor dit feit. De bewijslast om aannemelijk te maken dat sprake is van een nieuw feit rust op de inspecteur.
4.1.
De inspecteur stelt dat de informatie die hij heeft ontvangen van de inspecteur die belast is met de heffing van de vennootschapsbelasting een nieuw feit vormt dat navordering rechtvaardigt. Volgens belanghebbende had de inspecteur echter al naar aanleiding van de aangifte IB/PVV over het jaar 2017 vragen moeten stellen over de pensioenuitkeringen, omdat belanghebbende een levenslange pensioenuitkering genoot die niet bij leven kon worden stopgezet. Doordat de pensioenuitkeringen vanaf 2017 niet meer in de aangiften IB/PVV stonden, was het onwaarschijnlijk dat deze aangiften juist waren. De inspecteur heeft zonder vragen te stellen de aanslagen IB/PVV 2017 tot en met 2021 opgelegd en heeft daarmee zijn onderzoeksplicht geschonden, aldus belanghebbende.
4.2.
De rechtbank stelt voorop dat de inspecteur bij het vaststellen van een aanslag mag uitgaan van de juistheid van de gegevens die de belastingplichtige in zijn aangifte heeft vermeld. Tot nader onderzoek is de inspecteur in beginsel niet gehouden, tenzij hij, nadat hij met een normale zorgvuldigheid kennis heeft genomen van de inhoud van de aangifte, in redelijkheid aan de juistheid van enig in de aangifte opgenomen gegeven behoort te twijfelen. Voor dergelijke twijfel is geen aanleiding indien de niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de in de aangifte opgenomen gegevens juist zijn.
4.3.
De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur niet gehouden was een onderzoek in te stellen naar aanleiding van de in de aangiften IB/PVV 2017 tot en met 2021 vermelde gegevens. Niet is gesteld of gebleken dat over (de betalingen van) het weduwenpensioen op enig moment overleg is geweest met de inspecteur die bevoegd is voor de IB/PVV. De inspecteur hoefde daarom niet te vermoeden dat de aangiften onjuist waren. Het nalaten van een onderzoek op dit punt kan de inspecteur daarom niet als ambtelijk verzuim worden aangerekend. De inspecteur hoefde niet aan de juistheid van de in de aangiften opgenomen gegevens te twijfelen en hij hoefde ook niet de aangiften vennootschapsbelasting van de [B.V.] te raadplegen om na te gaan of nog sprake was van een pensioenvoorziening. Van een ambtelijk verzuim is daarom geen sprake. De informatie die de inspecteur heeft ontvangen van de inspecteur die belast is met de heffing van de vennootschapsbelasting vormt een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt.
4.4.
De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de belastingrentebeschikkingen. Belanghebbende heeft tegen deze beschikkingen geen inhoudelijke bezwaren aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikkingen. Hierbij wijst de rechtbank belanghebbende erop dat de bedragen van de belastingrente de bedragen van de navorderingsaanslagen volgen.

Conclusie en gevolgen

5. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de navorderingsaanslagen IB/PVV 2017 tot en met 2021 en de daarbij vastgestelde belastingrentebeschikkingen in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, rechter, in aanwezigheid van mr. C.C. van den Berg, griffier, op 1 april 2025, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).