ECLI:NL:RBZWB:2025:1852
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Navordering inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen wegens nieuw feit pensioenuitkeringen
Belanghebbende, enig aandeelhouder van een besloten vennootschap, ontving vanaf 2013 pensioenuitkeringen die vanaf 2017 niet meer werden aangegeven in haar IB/PVV-aangiften. De inspecteur legde navorderingsaanslagen op voor de jaren 2017 tot en met 2021, inclusief belastingrente, omdat informatie van de inspecteur vennootschapsbelasting een nieuw feit vormde dat navordering rechtvaardigde.
Belanghebbende voerde aan dat de inspecteur zijn onderzoeksplicht had geschonden door niet eerder vragen te stellen over de pensioenuitkeringen. De rechtbank oordeelde echter dat de inspecteur mocht uitgaan van de juistheid van de aangiften en niet verplicht was nader onderzoek te doen zonder concrete aanleiding tot twijfel.
De rechtbank stelde vast dat er geen sprake was van ambtelijk verzuim en dat de informatie uit de vennootschapsbelastinginspectie een nieuw feit vormde. Hierdoor waren de navorderingsaanslagen terecht opgelegd. Ook de belastingrentebeschikkingen bleven in stand, aangezien daartegen geen inhoudelijke bezwaren waren ingebracht.
De beroepen van belanghebbende werden ongegrond verklaard, waardoor de aanslagen en belastingrente gehandhaafd blijven. Belanghebbende krijgt geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug.
Uitkomst: De navorderingsaanslagen IB/PVV 2017-2021 en de belastingrentebeschikkingen blijven in stand; beroepen ongegrond verklaard.