Op 22 maart 2024 werd verdachte samen met drie medeverdachten aangetroffen in een loods te Heerhugowaard, waar zij bezig waren met het uithalen van ongeveer 114 kilo cocaïne uit de deklading van dozen gember. De rechtbank oordeelde dat verdachte en zijn medeverdachten een cruciale schakel vormden in de grootschalige internationale cocaïnehandel en dat zij wetenschap en beschikkingsmacht hadden over de gehele partij cocaïne.
De verdediging voerde aan dat er geen sprake was van verlengde invoer en dat verdachte niet de volledige hoeveelheid cocaïne onder zijn macht had, maar dit werd door de rechtbank verworpen. De pallets met gember en cocaïne waren vanuit Costa Rica via Antwerpen naar Nederland gebracht en de handelingen van verdachte vielen onder verlengde invoer volgens de Opiumwet.
De rechtbank achtte de officier van justitie ontvankelijk en het bewijs wettig en overtuigend. Verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden, met aftrek van voorarrest, waarbij rekening werd gehouden met de ernst van de feiten, de hoeveelheid drugs en de maatschappelijke gevolgen van de handel in cocaïne.