Belanghebbende maakte bezwaar tegen navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over de jaren 2012 tot en met 2014, alsmede tegen daarbij opgelegde vergrijpboeten. De inspecteur had navorderingsaanslagen opgelegd wegens niet aangegeven winstuitdelingen en saldo op een Luxemburgse bankrekening, toegerekend aan belanghebbende als fiscaal partner van [partner].
De rechtbank oordeelde dat de inspecteur terecht het inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2) en inkomen uit sparen en beleggen (box 3) aan belanghebbende heeft toegerekend op grond van artikel 2.17 Wet IB 2001. De navorderingsaanslagen en belastingrente zijn daarmee terecht opgelegd. De vergrijpboeten, die waren opgelegd wegens (voorwaardelijk) opzet en later verminderd naar grove schuld, zijn echter vernietigd omdat de inspecteur onvoldoende bewijs leverde dat belanghebbende op de hoogte was van de Luxemburgse bankrekening en de niet aangegeven bedragen.
Belanghebbende verklaarde zich niet bezig te houden met de bedrijfsvoering of administratie, welke door haar partner werd gevoerd. De rechtbank stelde vast dat de bewijslast voor grove schuld niet is gehaald, waardoor de vergrijpboeten onterecht zijn opgelegd. De inspecteur moet het griffierecht en proceskosten voor de beroepsfase aan belanghebbende vergoeden.